De cursus

juni 12, 2014

IncheckpaalZo eens in de paar dagen is het raak: een treinreiziger in mijn coupé blijkt bij controle ‘niet ingechecked’, tot grote verbazing van die treinreiziger zelf, die meent toch echt op correcte wijze alle processtappen te hebben doorlopen. Soms ben ik die treinreiziger zelf, meestal is het een ander. Statistisch gezien is dat ook logisch: er zijn vele anderen en van mij is er maar één.

Om te voorkomen dat het pardoes mis gaat, sta ik tegenwoordig op het perron als een volstrekte autist voor paal. Het incheckpaaltje wel te verstaan. Ik wacht tot alle bewerkingen van vorige reizigers verdwenen zijn en het schermpje donker is, hou dan mijn kaart ervoor, check of ik de juiste piep hoor, het – soms nog aanwezige – groene lampje gaat branden en in het scherm de juiste tekst verschijnt: ‘Voordeelurenabonnement’. Medereizigers met meer haast dan ik vatten dat geduldig wachten op als een gelegenheid om voor te dringen en schuiven hun kaart tussen het paaltje en mijn in hoopvolle afwachting opgehouden OV-chipkaart.

Ondanks al mijn voorzorgen ben ook ik zo eens in de vier, vijf maanden het haasje. Gezien mijn obsessieve oplettendheid kan dat niet anders zijn dan als gevolg van het niet geheel perfect functioneren van het OV-chipkaartensysteem. Dat is ook onvermijdelijk: het is een systeem en het is dus feilbaar.

Er zijn twee soorten conducteurs: zij die zich een mens betonen en zij die zich aan de regels houden. Die laatste conducteurs hebben een opvallend consistent onvermogen om de mogelijkheid van een systeemfout onder ogen te zien. Ik luister altijd met enige bewondering naar de conducteurs die in een discussie raken met gedupeerde reizigers. Hoewel, ‘discussie’ is een groot woord. Het zijn doorgaans de gedupeerde reizigers die een wanhopige poging doen te appelleren aan een – al of niet verondersteld – vermogen tot redelijk nadenken bij hun gesprekspartner en de conducteur die er desnoods minutenlang in slaagt geen enkele aanwijzing te geven die erop wijst dat ze überhaupt hebben gehoord wat er zojuist tegen hen gezegd werd.

Mijn bewondering is meer de bewondering die je kunt hebben voor de schurk in een film of voor bijvoorbeeld C.S. Lewis’ Screwtape, want wat de gedupeerde reiziger ook probeert: rationeel argumenteren, begrip, medeleven, botheid, onbeleefdheid, niets helpt, het zaad valt onverrichterzake op de rotsen. Zoveel aperte stompzinnigheid, daar moet je voor op cursus geweest zijn. Ik weet dat dergelijke cursussen bestaan, want ik heb ze zelf ooit moeten volgen. Ik herken de techniekjes die sommige conducteurs toepassen. Hier is over nagedacht.

Maar helaas niet goed genoeg. Ik zei hierboven al “er zijn twee soorten conducteurs: zij die zich een mens betonen en zij die zich aan de regels houden”, waarmee ik impliciet al aangeef dat de conducteurs die zich ten koste van alles aan de regels houden, geen mens zijn. Dehumanisering is één van de dingen die geweld tegen anderen faciliteren: wie je niet als medemens ziet, sla je makkelijker in elkaar. De techniekjes die ik sommige conducteurs zie toepassen hebben allemaal één ding gemeen: de klant heeft maar te doen wat de conducteur zegt en alles wat die daar tegenin zou kunnen brengen doet niet ter zake. Het is de conducteur die bepaalt hoe de werkelijkheid in elkaar steekt, wat de klant denkt of heeft gedaan, speelt geen enkele rol. De klant is een irrelevant ding.

Ik zou zo gauw geen methode kunnen bedenken die de gedupeerde reiziger er sneller van kan overtuigen dat hij geen mens tegenover zich heeft maar een – kapotte – machine, of een blaartrekkend stuk ongedierte, het ligt er denk ik aan hoe snel je hoe kwaad kunt worden. Het verbaast me dus niets dat er de laatste tijd steeds vaker geklaagd wordt over geweld tegen conducteurs: daar is over nagedacht, daar zijn ze voor op cursus geweest. Je zou bijna aan een complot gaan denken: eerst biedt je de cursus ‘afhandeling van niet-ingecheckte reizigers’ aan, om een jaar of wat later ‘omgaan met gewelddadige klanten’ aan te bieden. Kassa!


Tweedeling

mei 6, 2014

Ik was de veertig nog niet gepasseerd toen ik mijn eerste economische model bedacht. Een mens doet wel eens rare dingen. Het begon met een onschuldige gedachte: een samenleving valt niet noodzakelijk samen met zijn economie, dat zijn twee verschillende dingen. Hoewel je daarbij in eerste instantie kunt denken aan een nationale samenleving die opereert in een globale economie, kan het ook andersom. Dat was mijn tweede onschuldige gedachte. Als je een economie ziet als een ingewikkeld netwerk waarbinnen geld, goederen, diensten, arbeid en nog zo wat ongeregeld worden uitgewisseld, dan zou het in theorie mogelijk moeten zijn dat er binnen één samenleving bijvoorbeeld twee economieën naast elkaar functioneren, vooropgesteld dat er – toevallig of om een andere reden – een contactarme kloof bestond of ontstond tussen die twee economische netwerken.

Destijds woonde ik in een buurt waar nogal wat sociale achterstand heerste. Veel bijstandstrekkers en arbeidsongeschikten en bijgevolg ook verschijnselen van een ‘informele economie’: een kringloopwinkel, een weggeefwinkel, een buurtcentrum dat een soort ruilhandel in diensten faciliteerde (ik verf jouw muren, jij past op mijn kinderen), een heel grote vrijwilligerscentrale en niet te vergeten een daklozenopvang waarvan enkele cliënten zich verdienstelijk maakten met het schoonhouden van de straat en het bezorgen van huis aan huis bladen. Door die omgeving werden mijn gedachten al minder onschuldig. Stel dat die twee economieën niet naast, maar boven elkaar bestonden?

Bovenin zou dan de ‘echte’ economie spelen: de economie waarover we lezen in de krant en waarmee politici hun kiezers sarren; de economie die – mits op de juiste wijze gehanteerd – levens kan maken en breken, wat zeg ik: samenlevingen kan maken en breken, díe economie. Onderin de samenleving zou dan iets functioneren dat leek op die informele economie in mijn buurt, maar dan veel groter. In theorie – aldus mijn gedachtenexperiment – zou het mogelijk moeten zijn om beide netwerken onafhankelijk van elkaar in de lucht te houden, op voorwaarde dat er voldoende kritische massa was: genoeg mensen dus om de kringloop van goederen, diensten, geld en arbeid op gang te houden.

Als wat ik dacht ook echt kon, dan zou onderin sprake zijn van een economie waarin – zoals het Spaanse spreekwoord zegt – twee (of meer) wrakken elkaar drijvende kunnen houden, waarin mensen slechts aan het overleven waren, mensen die in wezen niet meer meededen en niet meer meetelden. Op dit punt aangeland had mijn gedachtenexperiment alle onschuld verloren. Maar misschien was het wel heel raar wat ik allemaal bedacht had; ik ben geen econoom. Op mijn werk deelde ik mijn verzinsels met collega’s en daar was wel een econoom aanwezig. Zijn commentaar was kort: ‘Ja hoor, dat heet een tweedeling in de maatschappij!’ Het economische model in de dop dat ik als bijna-veertiger had bedacht, bleek gewoon een ingeburgerd politiek begrip te zijn.

Nu ik de vijftig wel zo’n beetje gepasseerd ben, is daar sinds kort een nieuwe gedachte bij gekomen. Zo hier en daar kwamen de laatste tijd wat nieuwsberichten voorbij waar ik een lijn in meende te herkennen. Nieuwsberichten over taakstraffen en tegenprestaties voor de bijstand en over hoe die soms erg op elkaar kunnen lijken; nieuwsberichten over Friese maatregelen met bijstandstrekkers die verplicht aan het werk worden gezet; over experimenten met aspergesteken en ander land- en tuinbouwwerk. Ik kan zo nog wel even doorgaan, maar na lezing van het hierna volgende zal wel ongeveer duidelijk zijn welke nieuwsberichten mij zoal zijn opgevallen.

Er is een tweedeling aan het ontstaan in het denken over de betekenis van het begrip ‘werk’. Aan de ene kant hebben we wat altijd al ‘werk’ werd genoemd: iemand maakt een goed of levert een dienst en krijgt daar, per stuk, per uur of per maand voor betaald. Het is werk waarmee je ‘een bijdrage aan de samenleving’ heet te leveren. Maar daarnaast bestaat er ook ‘werk’ dat niet gezien wordt als bijdrage aan de samenleving, maar als tegenprestatie áán die samenleving. Het is een tegenprestatie omdat je iets verkeerd hebt gedaan en dat goed moet maken, of omdat die samenleving je onderhoudt in een situatie waarin je dat zelf niet kunt. Niet zelden wordt over die laatste groep mensen gesproken in termen van de eerste: wie zichzelf niet onderhoudt, benadeelt daarmee de samenleving.

En zo komt het dat geheel niet vrijwillige taakstraffen en niet geheel vrijwillige tegenprestaties voor de bijstand zoveel op elkaar kunnen lijken: werk met een extreem lage status, vuil werk, rotwerk. Wie iets goed te maken heeft met de samenleving mag het doen. Pardon: moet. Als deze ontwikkeling een beetje wil doorzetten, maken onze kinderen de heruitvinding van de slavernij nog mee.


Wát nou fraude?

april 16, 2014

statis1Volgens de berichten zouden 400 eerstejaars economiestudenten aan de UvA hebben gefraudeerd bij hun toets statistiek. Er gaan al kamervragen over gesteld worden. De digitale toets waarmee gefraudeerd zou zijn, kon eenvoudig worden omzeild. Studenten openden de toets in twee browsers tegelijk, verkregen de goede antwoorden in de ene en vulden die vervolgens in de tweede in. Het viel op toen sommige studenten de test sneller gedaan bleken te hebben dan hun docenten het konden. Dat verhaal is overal in de media terecht gekomen. Het is lariekoek.

Om te beginnen hebben er geen 400 studenten gefraudeerd. De examencommissie heeft besloten de uitslag van de toets voor 400 studenten te annuleren. Studenten die kunnen aantonen dat ze voldoende tijd hebben benut om de toets te maken ‘kunnen bezwaar maken’ aldus die commissie, die kennelijk niets meer dan dat durft toe te zeggen. Schuldig dus, totdat onschuld bewezen is. Dat heet grootschalige verdachtmaking, geen grootschalige fraude.

Ik heb wel eens met economiestudenten van de UvA zitten kletsen – ouderejaars trouwens – en ik ken die Maple-toets. Het is een toets die je gewoon thuis of in de bieb kunt maken, met je boeken erbij of in overleg met medestudenten. Op Facebook zijn speciale groepen te vinden van UvA-economiestudenten uit de verschillende jaren waarop driftig onderling wordt gediscussieerd over toetsopgaven, oefententamens en andere studie-opdrachten. Fantastisch. Dat is hoe studeren moet: samen met anderen de zaak bespreken en zo van elkaar leren en van de uitwisseling van ideeën.

Nog mooier is dat je de opdrachten uit de Maple test zo vaak kunt doen als je wilt, net zo lang tot je het goede antwoord krijgt. Het programma vertelt je namelijk of je antwoord klopt en geeft je bij een fout antwoord de kans dezelfde som nog eens te maken, maar nu met andere cijfers. Op die manier kun je net zo lang door gaan tot je de methode om de som op te lossen begrijpt. Studenten kunnen voor deze test, vooropgesteld dat ze er even tijd in steken, dus in principe allemaal een tien halen en dat is de bedoeling ook: Maple is helemaal geen toets maar een trainingsprogramma.

De nu gesignaleerde ‘fraude’ met behulp van twee browsers is bij deze opzet volkomen overbodig en voor de berichtgeving zelfs irrelevant. Een goede student in statistiek kan ook zijn medestudenten voorzeggen, of de test eerst maken en de goede antwoorden doorspelen. Ook dan zullen sommige studenten de test sneller kunnen maken dan mogelijk is. Dat er al veel langer met deze test wordt gefraudeerd, en dat docenten er volgens studenten ook van wisten, hoeft dan ook niet te verbazen.

Waarom dan nu toch deze storm in een glas water? Om te beginnen betreft het economen, die nu eenmaal lijden aan de geloofsovertuiging dat mensen gestimuleerd moeten worden om dingen te doen en die daarbij helaas te vaak denken aan beloning en straf. Daarom krijgen studenten die de toets wekelijks met succes maken een bonus van 0,5 punten op hun eindcijfer voor het vak. Daardoor is het trainingsprogramma ineens een toets geworden.

Sommige studenten zijn helaas dom genoeg geweest om zich door die 0,5 punten te laten verblinden en gooiden een mooie gelegenheid om te oefenen weg. Die types zitten er altijd tussen, dat weet je van te voren als je een beetje docent bent. En een beetje docent weet ook – zoals één van de reageerders (student uva) op de website van de Folia opmerkte – dat studenten die frauderen bij de Maple-toets, het tentamen zelf echt niet halen; te weinig oefening en daardoor geen begrip van de stof.

Maar de belangrijkste reden is dat deze faculteit niet werkelijk geïnteresseerd is in het deugdelijk opleiden van studenten. Het benoemen en naar buiten brengen van de gebeurtenissen als ‘fraude’ en de nogal overtrokken maatregelen ertegen hebben geen ander doel dan de indruk te wekken dat het deze faculteit te doen is om ‘kwaliteit’, om een beeld te scheppen dat van deze opleiding alleen de beste en betrouwbaarste studenten af komen. Het is het oppoetsen van de reputatie van het instituut, dat ook een internationale – engelstalige – opleiding heeft die veel buitenlandse studenten trekt. Er staat met andere woorden voor de examencommissie meer op het spel dan de toekomst van hun studenten.


Juristenval

januari 22, 2014

MuhammadAliMijn vorige blogpost over internetbankieren werd overgenomen op Sargasso en scoorde maar liefst 120 reacties, voornamelijk van mensen die aanzienlijk beter op de hoogte zijn van hoe computers werken dan ik. Door alle technische termen over Ubuntu, Linux, LXDE, IDE’s, cross compilers, XFCE en mitm-attacks raakte ik al snel de draad kwijt. Eén ding lijkt wel duidelijk: ook lieden die veel deskundiger zijn dan ik, zijn het er niet over eens hoe je écht veilig kunt bankieren via het internet en of dat eigenlijk wel kan. Maar dat is uiteindelijk een technisch verhaal en daar wilde ik het helemaal niet over hebben.

Een paar reacties verwezen naar het probleem zoals ik het er wel over wilde hebben: welke stappen moeten we vrezen van de bank nu die nieuwe regels hanteert waarbij de consument ineens iets moet kunnen en moet kunnen betalen waarvan het maar de vraag is of hij dat kan en of hij daar de financiën wel voor heeft? Eén betrof een link naar dit artikel, dat ik iedereen aanraad, ondanks het feit dat ik hieronder ga betogen dat het beside the point is.

Kort gezegd betoogt de auteur dat het met de consequenties van de nieuwe regels voor internetbankieren wel zal meevallen. Er is namelijk ook een wet en die kunnen de banken niet zomaar wijzigen. Grove nalatigheid zal een bank moeten bewijzen en er zijn redelijk duidelijke regels over wat grove nalatigheid nu precies is. Het lijkt de auteur niet waarschijnlijk dat je bijvoorbeeld de klos bent als je een illegale versie van Photoshop op je computer hebt staan, terwijl de schade is ontstaan door een Android-trojan. Er moet wel een – aantoonbaar, neem ik aan – verband bestaan.

Dat is een pertinent punt en ook heel erg waar, maar het gaat voorbij aan het probleem zoals dat bestaat voor de gewone consument. Dat is het gevolg van wat ik voor het gemak ‘de juristenval’ noem: de neiging van juristen om de werkelijkheid te zien zoals die door de wet wordt gedefiniëerd. Die werkelijkheid verschilt van alledag.

Een korte schets van wat ik denk dat er zou kunnen gebeuren in een extreem voorbeeld.

Stel, een onverlaat weet zich toegang te verschaffen tot mijn internet account bij de bank en mijn rekeningen worden geplunderd. Die onverlaat is slim genoeg om dat te doen op het moment dat mijn salaris net is binnengekomen. Ik heb niets meer, mijn saldo staat op nul. Stel dat de bank vindt dat heeft kunnen gebeuren omdat de machine die ik gebruikte niet voldoende op orde was. En stel dat mijn bank inderdaad zo betrouwbaar is als ik in mijn stoutste dromen vermoed.

Mijn verzoek aan de bank om de schade te restitueren zal dan door de bank in eerste instantie geweigerd worden met een beroep op de nieuwe regels. Daarna kunnen ze rustig niets doen en afwachten. Dan moet ik stappen ondernemen om ze te dwingen. Die kosten geld en vooral tijd, maar leveren niet meteen geld op.

Teneinde te kunnen blijven werken (ik forens), zal ik binnen enkele dagen geld nodig hebben, misschien wel dezelfde dag nog. Teneinde niet te verhongeren, zal ik binnen drie weken geld nodig hebben. Teneinde niet dakloos te worden, zal ik binnen drie maanden geld nodig hebben. Ik weet niet binnen welke termijn gas, water en licht worden afgesloten, maar dat zal niet veel verschillen van de huur. Grof geschat zal het een jaar duren voordat mijn financiën weer op basis van eigen inkomen op orde zijn gebracht, vooropgesteld dat er niets, maar dan ook echt niets misgaat.

Ik denk niet dat de stappen die voor mij openstaan zo snel tot een oplossing zullen leiden dat mijn levensonderhoud niet direct in gevaar komt. Mijn bank zal bovendien in beroep gaan en verder alles doen om de zaak te traineren, in dit voorbeeld. Het hoeft maar een klein beetje mis te gaan of ik zit al lang en breed in de daklozenopvang tegen de tijd dat ik via de rechterlijke weg mijn bank gedwongen heb de schade (deels) te vergoeden.

Het is een extreem voorbeeld. Ik ben geen jurist en mijn rampjaar zal er in het echt wellicht heel anders uitzien dan wat ik hierboven als angstbeeld schets, maar duidelijk is denk ik wel dat een bank die de zaak wil traineren, je het leven gedurende een te lange periode heel erg zuur zal kunnen maken, zolang de regels die ze nu hanteren gehanteerd worden. Dat is waar banken gebruik van zullen gaan maken.

Volgens de auteur van de geruststellende blogpost waarnaar ik hieboven verwees, zal de – volhoudende – consument het uiteindelijk wel winnen. Sommige juristen zien dit ook als de oplossing van het probleem: het recht heeft gezegevierd en aangezien ze die uitkomst al ver van te voren zagen aankomen, herkennen ze de situatie niet als een probleem. Nogmaals: wat in die blogpost wordt beweerd is juist en terecht, maar het is niet gebaseerd op de dagelijke, praktische werkelijkheid van de gewone consument.

Het is een beetje als een bokswedstrijd waarvan al van te voren vaststaat wie er zal winnen. Een professioneel bokser is wellicht nog wel bereid om zich met die wetenschap eerst zes rondes lang in elkaar te laten beuken alvorens hij de beker in ontvangst mag nemen. Maar de meesten van ons zijn geen professionele boksers en worden liever niet in elkaar geslagen, ook niet als een professionele trainer ons verzekert dat het écht wel goed zal komen.


Internetbankieren

januari 9, 2014

RandomReaderDurft u nog te bankieren via internet? Ik nauwelijks meer. Sinds afgelopen 1 januari zijn er bij de banken nieuwe regels van kracht over bankieren via internet. Ik heb die regels eens nagekeken bij mijn eigen bank en trof redenen genoeg aan om terug te keren naar de acceptgiro.

De – vijf – regels zelf zijn redelijk overzichtelijk. ‘Houd uw beveiligingscodes geheim’ is makkelijk genoeg te doen en voor diegenen die de vele pincodes waarmee ze door het leven moeten, niet allemaal kunnen onthouden, staan er zelfs aardige tips op de website hoe je ze dan het beste toch ergens – versleuteld – kunt opschrijven. ‘Zorg dat nooit een ander uw bankpas gebruikt’ is ook behoorlijk makkelijk: gewoon nooit doen. ‘Controleer uw bankrekening’ is iets wat de meesten toch al wel zullen doen, wellicht dat we het voortaan wat vaker zullen moeten doen. ‘Meld incidenten aan de bank’ hoeft nauwelijks een voorschrift te zijn: wie geld kwijt is, zal de bank heus wel bellen. De kneep zit hem in de regel ‘Zorg voor een goede beveiliging van uw apparatuur’.

Onder een ‘goede beveliging van uw apparatuur’ blijken nogal wat voorschriften te zitten. Ik citeer mijn bank:

Het up-to-date houden van alle software op de door u gebruikte apparaten. Dat geldt zowel voor besturingssystemen als voor toepassingen als browsers etc.

Alle software? Mijn schaakprogramma? Patience? Een beetje computergebruiker heeft al snel een boel werk aan het bijhouden van al zijn software. Wellicht een klein probleem, maar fundamenteler is het besturingssysteem. In mijn geval kan ik mijn besturingsysteem niet meer updaten zonder een nieuwe PC aan te schaffen en daar heb ik even de pecunia niet voor.

Het verwijderen van software die u niet meer gebruikt.

Er staan programma’s op mijn PC die ik hoogstens eens per jaar gebruik, maar die ik wel nodig heb. Het iedere keer opnieuw downloaden van zo’n programma op het moment dat ik het nodig heb is vervelend, maar overkomelijk. Lastiger zijn programma’s die nog wel nuttig zijn, maar niet meer vindbaar op het internet.

Installeren van firewall-software. Niet alleen op uw apparatuur maar ook in de gebruikte netwerkapparatuur zoals bijvoorbeeld uw internetmodem/router.

Toevallig weet ik wat een Firewall is, of tenminste: ik weet wat het ongeveer doet. Maar tot gisteren had ik nog nooit gehoord van de mogelijkheid om firewall-software op je modem te installeren, laat staan dat ik weet hoe dat moet. Ik zou ook niet weten wat mijn leverancier van mijn modem daarvan vindt.

Installeren van antivirus, anti-malware en antispam software op uw apparatuur.

Dit lijkt me niet zo’n probleem. Vrijwel iedereen heeft wel één of meer van dergelijke programma’s op zijn PC staan.

Het verwijderen van alle data en toepassingen van een apparaat dat u weggeeft, verkoopt of weggooit.

Dat is een aardige instinker. Toevallig weet ik van een rechercheur dat het écht verwijderen van alle data op een computer een hels karwei is. Het komt erop neer dat je de harde schijf eruit moet slopen en fysiek volledig moet fijnmalen. Formatteren – zelfs meermaals – werkt niet, verbranden werkt niet goed genoeg, kapot breken schijnt nog minder goed te werken en het populaire verhaal van de sterke magneten schijnt ook lang niet zo goed te werken als iedereen wel denkt. De slijpschijf en keihard doorwerken is het enige dat soelaas biedt.

Afnemen van een antispam-dienst bij uw Internetprovider zodat u minder dubieuze mails ontvangt.

Dat lijkt me geen probleem en de meeste providers hebben standaard al zoiets.

Het instellen van een zo zwaar mogelijk beveiligde verbinding wanneer u een draadloos netwerk gebruikt.

Tsja. We gebruiken altijd en overal wifi en we weten lang niet altijd hoe we de netwerken van anderen op ‘veilig’ moeten zetten. Zou dit op te lossen zijn door alleen thuis te internetbankieren, of loop je al gevaar als je met je laptop door het gebied van een niet-maximaal beveiligde wifi-verbinding loopt? En wat doe je in het buitenland als je in verband met een noodgeval even bij je bank moet wezen?

Het instellen van een automatische vergrendeling op uw apparatuur zodat deze na enige tijd van ongebruikt zijn alleen met een code te ontgrendelen is.

Voor de meeste mensen zal het even zoeken zijn, maar als je het eenmaal hebt ingesteld, is het geen probleem meer.

Zo op het eerste gezicht beoordeeld zullen aan aantal van de door de banken gehanteerde regels al zorgen voor grote problemen bij de meeste mensen. Niet iedereen is een systeembeheerder of is in staat dat te worden. Nog lastiger wordt het als u de nadere uitleg van de regels leest. Zo kwam ik er achter dat ik me er ook van moest vergewissen of mijn Adobe Reader wel up-to-date was. Dat heb ik gechecked en mijn Adobe Reader geeft netjes aan dat hij volledig up-to-date is. Maar het is versie 9 en ik wéét dat er een versie 10 is. Voor Java flash-player geldt hetzelfde en daarvan kan ik niet eens vaststellen of ik het héb.

Ook mijn browser hoort up-to-date te zijn en ook die geeft niet anders aan dan dat hij up-to-date is. Ik zou rustig verder kunnen als ik niet een paar maanden geleden de melding had gekregen dat een nieuwere versie van de browser een nieuw besturingssysteem vergt en dat mijn oudere versie mogelijk niet helemaal veilig meer is. Wil ik dus verder bankieren via internet dan heb ik een nieuwe PC nodig. Iemand is hier rijk aan het worden…

Veel vervelender is de manier waarop de regels zijn geformuleerd. ‘Up-to-date’, ‘niet meer gebruikt’, ‘zo zwaar mogelijk beveiligd’, ‘na enige tijd'; het zijn stuk voor stuk boterzachte formuleringen die zo soepel en zo streng geinterpreteerd kunnen worden als men maar wil. En daar zit mijn werkelijke probleem. Een bank zal met deze regels in de hand altijd een stok kunnen vinden als ze de hond willen slaan. En het kolst ze geld als ze die hond niet slaan. De hamvraag is dan ook of die banken kwaad willen en eerlijk gezegd lijkt me het antwoord op die vraag, gezien het economische nieuws van de afgelopen jaren, heel erg duidelijk.


De procedures

december 14, 2013

renata-meisje-asiel-ziek-eo_0‘Zie je wel!’ riep mijn vrouw verontwaardigd, ‘Nederlandse huisartsen zijn gewoon slecht!’ We zaten naar het journaal te kijken waarin werd bericht dat Nederland een Georgische asielzoekster heeft uitgezet die doodziek was. Een meisje van zes bovendien. Vrijwel direct na aankomst in Polen (naar verluid binnen 20 minuten) stelden Poolse artsen vast dat ze acute leukemie had. Hier te lande was ze met enige regelmaat gezien door – u raadt het al – Nederlandse huisartsen die haar allemaal met het spreekwoordelijke paracetamolletje in het riet gestuurd hadden.

En het kan nog erger. Wat ik hierboven schrijf is namelijk niet helemaal waar. De laatste huisarts die de onfortuinlijke asielzoekster zag, heeft de ernst van de klachten wel ingezien en een bloedonderzoek voorgeschreven. Maar er waren belangrijker zaken af te handelen: uitzetting gaat in Nederland – kennelijk – voor deugdelijk medisch onderzoek. Eenmaal in de gevangenis vroegen de ouders nog om het bloedonderzoek, maar er gebeurde niets.

In Nederland is het verboden een doodzieke patiënt uit te zetten. Je zou denken ‘gelukkig maar’, maar een meisje van zes is in Nederland niet doodziek als ze al een week of twee koorts heeft en om de haverklap een bloedneus. Doodziek ben je hier pas als een daartoe bevoegd persoon door middel van vakbekwaam onderzoek heeft vastgesteld dat je iets mankeert en wat. Zolang dat niet is gebeurd, ben je gezond en mag je worden uitgezet.

En zo kon het gebeuren dat Grote Denker Fred Teeven op het journaal verscheen en – zonder in schaterlachen uit te barsten – kon beweren dat alles geheel volgens de voorgeschreven procedures was verlopen. Iedereen had zich netjes aan de regels gehouden en de vastgestelde protocollen gevolgd en dus was er niks fout gegaan.

Ik weet vrij zeker dat de moeder die ons deze minister schonk, haar Fredje nooit met veertig graden koorts en bloedneuzen op het vliegtuig richting Polen had gezet. Moeders – en andere normale mensen – hebben daar geen bevoegd deskundige voor nodig en geen protocollen of procedures.


Vuilnisbakkenras

september 21, 2013

Foto0422

De wijnflesstandaard hierboven is niets meer dan een beukenhouten plankje met een schuin geboord gat erin. Maar juist die eenvoud maakt het typisch voor Nederlandse design. Ik heb geen idee wie de ontwerper is. Ik heb het ook niet gekocht maar op straat bij het vuilnis gevonden. Waarschijnlijk had de eigenaar geen idee waar het voor diende. En ja, er zit een vlekje op.

En zo heb ik wel meer spullen in huis waar ik nooit voor betaald heb. Ik kook nog uit de pannen waarmee mijn ouders getrouwd zijn. Prinz-pannen waar de handvatten al lang van af zijn, waardoor ze nu in elkaar passen, en ze hebben een dikke koperen bodem waardoor ze uitstekend koken. Het bestek van hun uitzet heb ik ook nog: roestvrij staal design uit de jaren zestig dat niet uitblinkt in schoonheid, maar onverwoestbaar is. Een deel van hun oude servies heb ik ooit weggegeven aan een archeoloog voor zijn vergelijkingscollectie van 20e eeuws aardewerk.

Onze eettafelstoelen heb ik meegenomen uit het kantoor van mijn oude baas toen hij dat wilde gaan restylen. De stoelen waren nog prima en nu, zes jaar later doen ze het nog. Alleen af en toe de dopjes van de poten vervangen. De glazen eetkamertafel is ooit door de eigenaar afgedankt nadat het stalen frame bij een verhuizing verbogen was. Twee vrienden met technische aanleg van me hebben het recht gebogen en de tafel staat nu bij ons. Je merkt er niets van dat het frame op twee plekken gebroken is. En op die tafel staat een kandelaar voor vier kaarsen die ook bij het vuilnis is weggehaald.

Ik merk steeds dat ik er lol in heb om spullen die nog een heel leven voor zich hebben dat hele leven ook te geven. Dat is niet uit zuinigheid, maar gewoon omdat ik het zonde vind om design weg te doen of spullen die het nog prima doen weg te gooien. Jammer van alle moeite die er ooit in gestoken is. Maar mijn vrouw moet zich rotgeschrokken zijn toen ze er achter kwam dat ze getrouwd was met een vuilnisbakkenras.

Misschien krijgt ze de smaak toch te pakken: laatst kwam ze met een aantal bordjes en kopjes thuis van een servies waar ik een paar borden van heb, maar dat echt te duur is om echt aan te schaffen. Een vriendin van haar had ze niet meer nodig. Nu drinken we ‘s middag’s high tea uit echte Wedgewood theekopjes…


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.