The Badeend Archives

september 19, 2012

Al eerder blogde ik over de wetenschappelijke inzet van de badeend (Anas Natans L.), zonder welke een horde onoplosbare vraagstukken dat zou blijven.

Ook nu weer blijkt de badeend onmisbaar te zijn bij het beantwoorden van de toch zeer eenvoudige vraag: hoe snel stroomt water door de rivier naar zee?


9/11

september 11, 2012

Eén van de onbedoelde gevolgen van de aanslagen op die noodlottige elfde september was een filmproject waarin regisseurs van overal ter wereld hun eigen visie gaven op het gebeurde in een korte film. De titel is 11’09″01, wat een verwijzing is naar de datum van de aanslagen, maar ook naar de beperking die de elf regisseurs kregen opgelegd: de films duren maximaal 11 minuten, 9 seconden plus één frame.

De eerste bijdrage is van de Iraanse regisseuse Samira Makhmalbaf. Daarin probeert een kleuterleidster haar klasje van kinderen in een Afghaans vluchtelingenkamp in Iran ertoe te bewegen stil te staan bij de gebeurtenissen. Die gaan het voorstellingsvermogen van de kinderen echter ver te boven, waardoor de minuut stilte ontaardt in een luidruchtig kinderklasje. Zelfs de inzet van een fabrieksschoorsteen vermag de kleuters niet duidelijker te maken wat voor soort gebouw het World Trade Center was.

De filmbijdrage over deze aandoenlijke mislukking schetst op het eerste niveau het lot van de Afghanen, die het eerstvolgende slachtoffer zouden worden van de nasleep van de aanslagen. Maar er zit een tweede niveau in de film, dat op mij grote indruk maakte. Hoewel de kinderen geen idee hebben van wat er nu eigenlijk gebeurd is, leidt de opmerking van de juf over het aantal dodelijke slachtoffers tot een discussie tussen de leerlingen. Die kleuters stellen precies de juiste vragen en maken zo een ijzersterk theologisch punt over de vraag of dit wel God’s wil kon zijn.

Makhmalbaf’s bijdrage is te vinden op het internet, maar met begrijpelijke ondertitels alleen in tweeën geknipt:

Dit is de eerste helft:

Discussie tussen de kleuters valt helaas precies in de cesuur. Dit is de tweede helft:

tot 2:53, daarna begint de volgende bijdrage. U zou vanaf daar de hele film 11’09″01 kunnen bekijken, maar mij gaat het daar niet om.


Dierenliefde

september 10, 2012

Jaren voordat Pim Fortuyn werd vermoord door een dierenrechtenactivist zei mijn vader het al:

Hoedt u voor mensen met een overmaat aan dierenliefde.

Ik zou dan ook nooit op de Partij voor de Dieren stemmen. Groot was dan ook mijn ontzetting toen mijn politieke voorkeur volgens de kieswijzer ineens daar bleek te liggen. De boosdoener bleek vraag 11: “Moet voor vlees het hoge BTW-tarief gaan gelden?”

Vleesproductie is economisch niet heel efficiënt. Op het akkerareaal dat je nodig hebt om bijvoorbeeld een koe op te kweken tot slachtrijpe leeftijd kun je ook voedsel verbouwen en daarmee voedt je meer mensen dan met die koe. Wat mij betreft mag er voor zoiets als vlees dus best een hoger BTW-tarief gelden. In tijden dat het nodig is de staatsinkomsten wat op te peppen, lijkt me het stimuleren van efficiënte voedselproductie geen slecht idee. Dus zei ik ‘ja’ op vraag 11 en zat plotseling in de politiek volkomen verkeerde hoek.

Ik heb niets met het welzijn van koeien. Hoewel ik niet van mening ben dat je met een koe anders mag omgaan dan met pakweg mijn buurjongetje van vier, zijn koeien er wat mij betreft om op te eten. Dat is wel het enige verschil met mijn buurjongetje trouwens.

Verder interesseert het welzijn van koeien mij niet heel bijzonder zolang er nog mensen op straat lopen te bedelen. Bij de Partij voor de Dieren zouden ze zich van mijn attitude jegens dieren een beroerte schrikken. Die willen mijn stem niet, zie mijn vaders uitspraak hierboven.

Kieswijzers en -kompassen houden met waar ik hierboven een voorbeeld van geef geen rekening. Niet achter ieder standpunt staat dezelfde politieke overtuiging en er zijn dus vele wegen die naar Rome leiden. In dit geval naar de Partij voor de Dieren.


Sharia rechtspraak

september 9, 2012

In Iran is onlangs een mevrouw die -door een door haar afgewezen man- zuur in het gezicht gegooid kreeg en daardoor nu het licht in de ogen moet missen, de gelegenheid geboden de dader zuur in diens ogen te laten druppelen, als gevolg waarvan de man eveneens het licht in de ogen zou kwijtraken. Het slachtoffer heeft de dader pas op het aller- allerlaatste moment deze straf bespaard (waarschuwing: geen smakelijke foto). De dader heeft daaraan voorafgaand wel zes jaar peentjes gezweet…

Had het slachtoffer hem niet vergeven, dan waren er nu twee mensen blind geweest. Dat is conform het recht van de Islamitische Republiek Iran, dat is ontleend aan het islamitisch recht, waar ‘oog om oog’ gewoon een rechtsprincipe is.

Hier in het Westen vinden we dergelijke straffen natuurlijk barbaars, achterlijk, woestijncultuur en meer van dat soort pejoratieven. Het is bovendien islam en dus is het kwalijk. Maar niemand lijkt zich te realiseren dat het gewoon hetzelfde principe is dat ik vanochtend op een verkiezingsaffiche van de liberalen aantrof, maar dan tenminste consequent doorgedacht.

Waarom vinden wij hier sharia-rechtspraak dan barbaars? Daar is een hele eenvoudige verklaring voor. Liberalen zouden hem moeten kennen. Het heet ‘Verlichting’.

Eén van de gedachten die de Verlichting ons geschonken heeft, en die westerse samenlevingen behoorlijk onderscheidt van de rest van de wereld, is dat strafrecht er is voor de daders. Daar zit weer een mensbeeld achter dat ook in de Verlichting is uitgevonden.

In de Middeleeuwen en Oudheid dachten we dat mensen onveranderlijk waren en dus ‘voor galg en rad geboren’, of juist niet. Wie niet deugde, behoorde dus tot het tuig dat ‘maar naar één ding luisterde’. Dergelijke lieden kon je alleen van het slechte pad afhouden door ze te intimideren. Slechte mensen waren goed omdat ze te bang waren om slecht te zijn. Het Chinese spreekwoord ‘doodt er één en maak er duizend bang’ stamt uit die rechtsfilosofie.

Dat moest ook wel want in tijden dat er geen efficiënt staatsapparaat kon worden betaald dat zich bezig hield met opsporing en handhaving was de pakkans een lachertje. Die paar sukkels die je wel wist te grijpen, strafte je dus héél disproportioneel, zodat in ieder geval de schrik er goed in zat. Fantasievolle straffen als levend koken in olie, kruisiging en op een laag vuurtje doodstoken zijn daaruit voortgekomen.

De onmenselijkheid van straffen diende ook een ander doel: publieksbereik. Wie ooit iemand op een brandstapel of aan een kruis heeft zien doodgaan, heeft nog voor jaren stof om tot de verbeelding sprekende verhalen te vertellen bij het haardvuur en in de herberg. Dat heb je hard nodig als er geen kranten, radio en TV zijn. Daarom ook de voorkeur om executies in het openbaar uit te voeren, liefst op plekken waar veel mensen langs kwamen zoals uitvalswegen. En wie eenmaal dood was, werd niet zelden nog enige tijd tentoongesteld teneinde de exposure aan het publiek te maximaliseren.

De Verlichting bracht daar verandering in. Het idee dat een gemiddelde burger het recht niet had zichzelf hoger te achten dan een slecht mens was al veel ouder, maar dat was vooral een religieus idee. De Verlichting kwam met een compleet ander mensbeeld: de mens was een redelijk wezen, dat kon leren en dus ook kon veranderen. Dat gold ook voor daders.

Mits benaderd met de juiste middelen, konden daders van ‘slechte mensen’ veranderen in goede burgers. Strafrecht diende dus eigenlijk niet alleen vergelding te bewerkstelligen of de maatschappij te beschermen tegen criminelen, het diende tevens om de crimineel te verbeteren. Een crimineel die zelf heeft leren inzien dat hij zijn gedrag beter kan aanpassen is een aanwinst voor de samenleving en hoeft niet meer geïntimideerd te worden om op het rechte pad te blijven.

De economische ontwikkelingen na de Verlichting zorgden ervoor dat het opzetten van een efficiënt opsporings- en handhavingsapparaat ook mogelijk werd. De ontwikkeling van de psychologie verschafte ons het gereedschap om ook daadwerkelijk het tijdens de Verlichting bedachte idee over de verbetering van daders ten uitvoer te brengen. Maar zoiets kan maar op één voorwaarde: naast het slachtoffer, moet je je ook kunnen verplaatsen in de dader. Dat vergt dus medeleven, en juist daarin onderscheidt het westerse strafrechtsysteem zich van vrijwel al het andere.

Je kunt discussiëren over de vraag of het idee uit de Verlichting niet al te optimistisch is. De vraag of ons huidige strafrecht wel doet wat het beoogt -het verbeteren van de crimineel- is ook een pertinente vraag. En tenslotte is het zonder meer opvallend dat aan de basis van ons strafrechtsysteem een paradox staat: we leven mee met de dader, niet alleen met het slachtoffer.

Wie niet mee wil leven met daders neemt afscheid van het mensbeeld dat we al sinds de Verlichting hebben en keert letterlijk terug naar de Middeleeuwen. Ten minste één mevrouw in Iran, waar de Verlichting even uitheems is als de sharia hier, heeft dat beter begrepen dan de opdrachtgevers van het affiche hierboven.


Spotje

september 5, 2012

Je kent de teksten al jaren en je weet ook wat ze betekenen, denk je. Totdat je dezelfde tekst ineens hoort op een totaal andere manier. Ze worden gezongen, gespeeld, komen ineens in een andere context voor of misschien verspreekt iemand zich alleen maar of wordt de tekst uitgesproken door iemand van wie je dat niet verwacht.

Dan kan het gebeuren dat zo’n overbekende tekst ineens toch van betekenis verandert. Dat gebeurt lang niet altijd in de vorm van meer betekenis of een andere betekenis. Soms is de verandering zo subtiel dat bijvoorbeeld een vertaling van de tekst niet zou wijzigen, terwijl je toch met geheel andere oren naar de tekst luistert. Blijvend.

Tekst is rationeel en logisch, maar er zijn meer betekenisdragers dan alleen de tekst. Die grijpen vaak in op niet rationele perceptie. Dat gaat dieper, harder en overtuigender.

Ziehier het effect, maar dan niet in de context van kunst of liturgie, maar van politiek.

De boodschap van regisseur Dana Nechushtan hakte er destijds zó snoeihard in, dat er een rel ontstond rondom ‘het misbruik van kinderen’. Iets beters wisten zij die aangesproken werden niet te verzinnen. Ze trof exact waar het pijn deed, zonder eigen tekst. Ik vind het spotje nog steeds briljant.


Behoud door behoud

september 2, 2012

Het manuscript dat u hierboven ziet, uit een klooster in Sankt Gallen in Zwitserland, stamt uit de negende eeuw en geeft de tekst weer van een kerkelijk gezang dat tijdens de kersttijd gezongen werd. De tekentjes boven de tekst zijn een primitieve vorm van muzieknotatie. Daaruit is uiteindelijk het notenschrift dat wij nu gebruiken ontwikkeld.

De tekst van het gezang is een Latijnse vertaling van een psalm (98:3) en komt overeen met de vierde eeuwse Vulgaat. Er bestaan echter heel veel van deze gezangen en die hebben vaak afwijkende teksten, van Latijnse vertalingen die veel ouder zijn. De reden daarvoor lijkt vrij voor de hand te liggen: tekst en melodie zitten aan elkaar vast, die kun je niet zomaar uitwisselen. De melodieën zouden dus best eens veel ouder kunnen zijn dan de vierde eeuw. We kennen ook gezangboeken die veel ouder zijn dan de negende eeuw. Alleen hebben die geen muzieknotatie. De oudste gezangtekst die we kennen zonder muzieknotatie, is vierde eeuws.

Uit schriftelijke bronnen uit die tijd weten we ook dat men in de negende eeuw de muziek van deze gezangen begon te noteren, omdat de uitvoeringspraktijk sterk achteruit liep. Dat kwam door de opkomst van andere muziekstijlen. De melodieën die bij de teksten hoorden, zijn dus met zekerheid ouder dan de negende eeuw. Ze werden daarvoor uit het hoofd gezongen, of van bladen met alleen de tekst en pas toen de geheugens gingen haperen begon men ook de muziek te noteren.

Die notatie was dus een behoudsmaatregel. Het moeten conservatieve monniken en nonnen zijn geweest die zich niet om al die nieuwe muziekstijlen bekommerden en de taak op zich namen om deze oude zangwijze voor het nageslacht te bewaren. Dergelijke geestelijken zijn er sinds de negende eeuw altijd geweest, waardoor deze traditie, nu bekend als Gregoriaans, nog steeds bestaat.

Er zijn sinds de negende eeuw nogal wat stijlen in de kerkmuziek tot bloei gekomen en de geestelijken en musici die het gregoriaans hebben bewaard, moeten vaak tegen de stroom in hebben geroeid. Het Gregoriaans is de bakermat van alle westerse muziek. Gezangen uit het repertoire werden gebruikt voor de nieuwe experimenten met polyfone muziek, waarin meerdere melodieën tegelijk klinken. Zo ook dit gezang, dat door de Parijse componist Perotinus polyfoon werd gezet zo rond het jaar 1200.

Dat hergebruik is nooit opgehouden. Gregoriaanse thema’s zijn terug te vinden tot in de popmuziek toe. Je zou het ‘behoud door ontwikkeling’ kunnen noemen. Dat is een concept uit de monumentenzorg dat veelal uitmondt in het herbestemmen of herontwikkelen van terreinen en gebouwen met een cultuurhistorische waarde. Het idee is dat je iets kunt behouden door het in een nieuwe omgeving een eigen, nieuwe plek of functie te geven die ook past in die nieuwe omgeving.

Maar het Gregoriaans is niet behouden doordat het gebruikt en herbestemd werd in de westerse muziek, het werd behouden door een combinatie van religieuze fundamentalisten en fanatieke musici die deze traditie volledig, compleet en onveranderd wilden bewaren en het ook op die plek wilden houden waar het hoorde: in de eredienst. Niks geen veranderingen, geen behoud door ontwikkeling maar behoud door behoud!

Die aanpak is door de bank genomen succesvol gebleken. Uiteraard is de uitvoeringspraktijk van het Gregoriaans in de loop van de Middeleeuwen veranderd. Meestal gebeurde dat door de toepassing van nieuwe muziektheoretische ideeën in combinatie met het verlies van kennis over de oorspronkelijke zangwijze. In de 19e eeuw zette een nieuwe ontwikkeling in van onderzoek naar de vroegmiddeleeuwse praktijk en naar de vroegste manuscripten. Ook dat onderzoek werd veelal gedaan door monniken, maar de resultaten sijpelden door naar beroepsmusici, zoals mijn vader.

Dat alles heeft tot gevolg gehad dat ik nu, twaalf tot zestien eeuwen later, dit gezang met gebruikmaking van dit manuscript zo kan voorzingen. Ik ken het niet uit mijn hoofd, maar ken het goed genoeg om het met dit geheugensteuntje ten uitvoer te brengen. Dat geldt voor veel kerkzangers, die nog steeds, overal ter wereld, dit gezang met kerst -en een heleboel andere Gregoriaanse liederen op andere dagen- ten gehore brengen.