Ophef over Ramadan (2)

juli 23, 2013

Gisteren blogde ik al over een knorrige ingezonden brief van Anton van Hooff over de in zijn ogen overdreven aandacht voor de Ramadan in de media. Vanochtend trof ik in de trein een achtergelaten Handelsblad aan en daarin gooit Hafid Bouazza er nog een schepje bovenop. Aan de Ramadan zou niets spiritueels zijn.

Dat toont hij aan met behulp van faits divers, zoals de bidbult op het voorhoofd van vrome moslims, die je ook kunstmatig kunt aanbrengenramadandiensten die de politie draait en een Marokkaanse fietsendief die zijn onschuld bepleit met het feit dat het Ramadan is en hij dus geen fiets gestolen kan hebben, in combinatie met een vertoog als dit:

Het antwoord is dat voor inheemse Nederlanders, die enkele individuele stappen verder zijn, hun voortvarendheid enkel bevestigd kan worden door een achtergesteldheid van gemeenschappelijkheid. Daarvoor voelen zij een nostalgie, omdat zij de ellende ervan nooit ondervonden hebben, maar daarin wel een strijd weerspiegeld zien (hoe vervormd ook) die hun verwekkers en voorverwekkers hebben gevoerd. Aldus kunnen zij hun atavistische besef overdragen, omdat zij de luxe hebben nooit met de ellende ervan te zijn opgezadeld.

Ik spreek een taal of tien en heb voor wiskunde nooit lager gescoord dan een negen, maar hier kan ik geen touw aan vastknopen. Bouazza’s conclusie is echter heel duidelijk: voor de vastenmaand hoeft geen enkel respect opgebracht te worden, deze is slechts gebaseerd op folklore, onnadenkende volgzaamheid en onwetendheid.

Maar wat is daar in vredesnaam mis mee? In iedere religie doet het gros van de mensen mee uit gewoonte, zonder precies te weten hoezo en waarom. Moslims zijn daarop geen uitzondering. Wie heeft ooit bepaald dat je alleen respect hoeft te hebben voor overtuigingen die je tot op het naadje van de kous kunt verantwoorden?

En nu we het toch over dat naadje hebben. Qua onwetendheid kan Bouazza er ook wat van. Hij citeert een traditioneel islamitisch verhaal over het ontstaan van de islamitische vasten.

Het verhaal gaat dat toen Mohammed in Medina arriveerde hij Joden zag vasten, voorafgaand aan Jom Kippoer. Toen hij vroeg wat zij aan het doen waren, kreeg hij ten antwoord dat zij eten en drinken vermeden om te gedenken dat Mozes en de Israëlieten door de Heer verlost werden van de Farao. Hierop gebad hij zijn volgelingen ook de vasten te betrachten en sprak: ‘Wij hebben meer recht op Mozes dan zij.’ (Het motief voor de vasten, tien dagen voor Jom Kippoer, heeft de hadith fout, maar dat doet er niet toe, want moslims zullen zeggen dat Joden –en christenen– de rituelen gecorrumpeerd hebben, zoals zij de Geschriften vervalst zouden hebben.)

Hierin is geen ‘spirituele’ oorsprong voor vasten te ontwaren: dit kan niet anders verklaard worden dan onteigening van andermans traditie en ritueel.

Bouazza formuleert het als een beschuldiging, alsof hij een uniek geval te pakken heeft en alsof de geschiedenis van religies niet aan elkaar hangt van het van elkaar overnemen van religieuze tradities en verhalen.

Belangrijker is dat het verhaal helemaal niet over de Ramadan gaat, maar over Ashura, het islamitische equivalent van Jom Kippoer. Beide vastendagen vallen op de tiende dag van de eerste maand van het jaar. Ashura betekent ‘tien’, vandaar wellicht Bouazza’s vergissing met ‘tien dagen voor Jom Kippoer’. Dat is echter het Joodse Nieuwjaar, de vasten valt toch echt op Jom Kippoer zelf.

Het is bovendien nog maar de vraag of het door Bouazza geciteerde verhaal wel klopt. Andere traditionele islamitische anecdotes vermelden dat Mohammed al in Mekka vastte op Ashura en zelfs dat deze vastendag werd gehouden door de heidenen aldaar. En de claim op Mozes is raar voor de islam. Ook in de islam is Mozes toch vooral de profeet die de Israelieten bevrijdde uit Egypte. Als er al een claim vanuit de islam op een bijbels figuur ligt, dan gaat dat eerder om Abraham, hét voorbeeld voor alle monotheisten, aldus de islam, en bovendien stamvader van zowel Israelieten als Arabieren.

Gisteren blogde ik al dat ik me kon voorstellen dat moslims de behoefte voelen om hun omgeving ervan te overtuigen dat hun vastenmaand iets volkomen normaals is en hetzelfde respect verdient als andere vreemde folklore. Als dan zelfs eigen (ex) geloofsgenoten -die beter zounden moeten weten- je dan ook nog van dienst zijn met het verspreiden van onjuiste informatie, kan ik me die behoefte alleen maar beter voorstellen.


Ophef over Ramadan

juli 22, 2013

Wat is dat toch met atheïsten? Ben ik er altijd van overtuigd geweest dat atheïsme zo’n sympathieke overtuiging was omdat het zo prettig – en kundig – tegen waarheidsclaims aan kan schoppen, krijgen we Anton van Hooff (voorzitter van de Atheïstisch-Humanistische Vereniging ‘De Vrije Gedachte’) in het Handelsblad van afgelopen 13 juli:

Alle kranten berichten uitvoerig over het begin van de islamitische vasten. Ook standaard zijn de interviews waarin moslims mogen verklaren dat de ramadan hun zoveel geestelijke zuivering brengt. Nooit zegt een Allah-gelovige de waarheid: ‘Zo voel ik mij ver verheven boven jullie, ongelovige honden.’

Toe maar! Wat moslims ook zeggen over hun motieven om te vasten, meneer van Hooff weet het beter.

Zijn ingezonden brief (hier te lezen, op de site van het Handelsblad moet je abonnee zijn) kopt met ‘Stop de ophef over de Ramadan’ en refereert aan de totale afwezigheid van enige vorm van media-aandacht aan de vasten zoals die door bijvoorbeeld Katholieken wordt beleefd, die in van Hooffs ogen ‘niet zo te koop’ lopen met hun vasten.

Ik ben als katholiek tijdens sollicitatiegesprekken nooit gevraagd naar mijn inzetbaarheid gedurende de Vasten, terwijl die toch een stuk langer duurt dan de Ramadan. Evenmin heeft een potentiele werkgever me ooit gevraagd naar mijn gedrag rond Sacramentsdag, Maria Hemelvaart of andere feestdagen die niet op een automatische vrije dag vallen.

Moslims, nee wacht, ik moet dat anders zeggen: mensen met een naam die lijkt te wijzen op een afkomst uit een islamitisch land, krijgen die vraag standaard. Je moet als werkgever namelijk toch net even wat sterker in je schoenen staan wil je een moslim in dienst nemen: de kranten staan vol van verhalen over religieuze extremisten, vrouwenmishandelaars, dieven en ander ongeregeld binnen de islam.

Is het dan raar dat het meer weldenkende deel der moslims probeert iets te doen aan die door hun maffere geloofsgenoten vertekende, en door de rest van hun omgeving in stand gehouden, beeldvorming? Dat ‘ophef’ noemen, getuigt van een nijpend gebrek aan inzicht in de leefwereld van hen die door het leven moeten met een uitheems geloof, of zelfs maar een buitenlandse naam.

En er is meer nijpend gebrek aan inzicht. Katholieken, die er inderdaad niet zo’n heisa van maken, hechten aan de Vasten een heel andere spiritualiteit dan moslims aan hun vastenaamd. Ramadan, althans voor de moslims die ik daarover spreek,  is bij uitstek de maand waarin je familiebanden aanhaalt, ’s avonds naar speciale Ramadan-soaps kijkt en zelfs vaker uit eten gaat. Dat heeft inderdaad niets te maken met de ascetische visie die wij hier in het westen op vasten hebben, calvinistisch als we zijn.

Maar mag het? Moslims zijn nu eenmaal geen calvinisten en er is niets tegen  de spiritualiteit van familiebanden en gezelligheid. Protesteren tegen uitingen van een dergelijke cultuur (want dat is het) is net zo zinvol als op basis van het atheïstisch-humanisme bezwaar aan te tekenen tegen het Sinterklaas-journaal.


Iedereen Salafist

juli 16, 2013

Ken u die Enka-zeem reclame nog? Die van die zeem die maand, na maand, na maand, na maand meeging?

Iedereen snapt dat de fabrikant met de uitspraak ‘maand, na maand, na maand, na maand’ een oneindig aantal maanden bedoelde, of ten minste een heleboel, maar beslist niet vier maanden.

Toen een paar eeuwen geleden één van de eerste moslims Mohammed benaderde met de niet bijster slimme vraag hoeveel generaties na de profeet nog betrouwbaar zouden zijn, gaf deze daarop een bijzonder snedig antwoord:

De besten van mijn geloofsgemeenschap zijn zij in de generatie het dichtst bij de mijne, dan die het dichtst bij hen en dan die het dichtst bij hen.

Met andere woorden: alle generaties na mij, of in ieder geval heel veel, net als bij de Enka-zeem.

Enkele eeuwen later ging dat een beetje mis. Los gezien van de culturele context en volkomen letterlijk geinterpreteerd, gingen sommige moslims denken dat Mohammed inderdaad precies drie generaties had bedoeld. Alle generaties daarna werden beschreven in het nogal cryptische vervolg van het antwoord:

…daarna komen er mensen wier getuigenis voorafgaat aan hun eed en wier eed voorafgaat aan hun getuigenis.

Voor deze moslims was dat een duidelijke beschrijving van onbetrouwbaarheid, zodat ze tot de conclusie kwamen dat alleen de eerste drie generaties moslims moesten worden nagevolgd. Naar die voorgangers, salaf in het Arabisch, is de geloofsstroming genoemd die daaruit voortkwam: salafi’s.

Salafi’s staan voor een zeer letterlijke interpretatie van de geloofsbronnen in combinatie met een minimum aan exegese en interpretatie. Wat aan uitleg wordt aanvaard, komt van die eerste drie generaties. Ze worden gekarakteriseerd als puriteins en strikt wettisch, wat logisch is als je alles letterlijk interpreteert. Zelf zijn ze ervan overtuigd dat ze voor de pure en oorspronkelijke islam staan. Salafisme is islam voor de export, ideaal voor hen die op zoek zijn naar zekerheid en eenvoud.

Salafi’s bewijzen de islam geen dienst, en wel op twee manieren: niet alleen buitenstaanders gaan denken dat Salafisme staat voor wat de islam zou moeten zijn – en zien het verschil niet- of ze zien het verschil wel en gaan overal Salafisten zien.

Hun geloofsovertuiging is erg eenvoudig en makkelijk uit te leggen. Hun verhalen zijn met gemak te volgen en ook wie het niet eens is met hun standpunten, kan de logica ervan snel inzien. Salafi’s hebben dan ook overal een antwoord op. Dat leidt, in combinatie met de claim dat ze voor de ‘echte’ islam staan, al snel tot het misverstand dat ‘de islam’ iets is wat sterkt lijkt op Salafisme. Niets is minder waar, Salafisme is pure nieuwlichterij, gehuld in de schutkleuren van oorspronkelijkheid.

De tweede manier werkt andersom: zij die het verschil tussen Salafisme en mainstream islam wél zien, gaan al snel Salafisme vermoeden onder gewone moslims. Want inhoudelijk, qua geloofsleer, verschillen ze niet zoveel. Ook gewone, orthodoxe, traditionele moslims zijn gehecht aan bijvoorbeeld de scheiding der sexen of rituele reinheid, zaken die buitenstaanders al snel zien als ‘raar’.

Die verwarring gaf Farid Aouled-lahcen de gelegenheid om in een opiniestuk in de Volkskrant uit te halen naar de toch al zo geplaagde Ibn Ghaldoun school. De daar gepleegde examenfraude zou te wijten zijn aan Salafisme, dat de leerlingen een dermate groot gebrek aan ethisch besef zou meegeven dat diefstal en fraude acceptabel werd.

Farid Aouled-lahcen stelt dat de school ‘rust op een islamitisch-orthodoxe grondslag’ en staat voor ‘een rechtlijnige variant van de islam’, namelijk het Salafisme. Dat ondersteunt hij met bronnen:

Uit de schoolgids van 2012-2013 (pagina 6) blijkt dat de school zich richt op de Koran en de woorden van de Profeet. Godsdienstlessen zijn vooral gericht op het reciteren van de Koran. Verder wordt veel aandacht besteed aan islamitische rituelen, zoals het gebed, de ramadan en de feesten. In de praktijk vertaalt de orthodoxie zich in gescheiden bidruimtes, gymlessen en biologielessen en het verbod op de evolutieleer.

Salafi’s richten zich op de Koran en de woorden van de Profeet, ja, dat doen alle moslims, anders waren ze wat anders. Koranrecitatie is een belangrijk deel van de opleiding van alle moslims, omdat je anders het rituele gebed niet kunt verrichten en zowieso: het is best een belangrijk boek in de islam. Aan koranrecitatie is niks specifiek Salafistisch, het is gewoon wat moslims, van allerlei pluimage, doen. En alle moslims besteden aandacht aan rituelen als het gebed, de ramadan en feesten, het zou pas nieuws zijn als dat niet zo was. Niet alleen Salafi’s bidden en gymmen gescheiden en niet alleen Salafi’s hebben iets tegen de evolutieleer.

Farid Aouled-lahcen meent dat leerlingen op het Ibn Ghaldoun de Salafistische leer van de  ‘loyaliteit en afstand’  en de leer van de ‘rekenschap’ wordt bijgebracht. Voor de geloofwaardigheid citeert hij er de Arabische benamingen bij, dus dan moet het wel waar zijn. Deze leerstukken zouden leerlingen stimuleren om loyaliteit aan elkaar te betuigen, en afstand – zo niet afkeer – ten aanzien van niet-moslims, in combinatie met een forse sociale controle daarop. In één ruk door concludeert hij dat dit leidt tot het uitschakelen van het morele besef jegens de medemens en de samenleving.

Waar bovengenoemde Salafistische leerstukken te vinden zijn, waaruit blijkt dat het Ibn Ghaldoun zich op het Salafisme oriënteert, hoezo enige mate van afzondering in eigen kring zou leiden tot het uitschakelen van moreel besef, Farid Aouled-lahcen onderbouwt het nergens. Op de website van de school staat eerder het tegendeel te lezen:

De school wil de leerlingen verantwoordelijkheid en goede sociale vaardigheden aanleren waarbij respect voor anderen hoog in het vaandel staat. Hiermee streven we ernaar om de  maatschappelijke problematiek rond de jongeren te verkleinen en mogelijk helpen op te lossen.

In ieder geval voor een paar leerlingen is die opzet niet geslaagd, dat hebben we helaas moeten merken. Maar dat direct wijten aan de op deze school gehanteerde levensovertuiging en die overtuiging dan ook maar meteen voor salafistisch uit te maken, alleen omdat deze traditioneel, orthodox en in moderne ogen enigszins misplaatst is? Dat is waanzin van het absolute en volstrekte soort.