Vuilnisbakkenras

september 21, 2013

Foto0422

De wijnflesstandaard hierboven is niets meer dan een beukenhouten plankje met een schuin geboord gat erin. Maar juist die eenvoud maakt het typisch voor Nederlandse design. Ik heb geen idee wie de ontwerper is. Ik heb het ook niet gekocht maar op straat bij het vuilnis gevonden. Waarschijnlijk had de eigenaar geen idee waar het voor diende. En ja, er zit een vlekje op.

En zo heb ik wel meer spullen in huis waar ik nooit voor betaald heb. Ik kook nog uit de pannen waarmee mijn ouders getrouwd zijn. Prinz-pannen waar de handvatten al lang van af zijn, waardoor ze nu in elkaar passen, en ze hebben een dikke koperen bodem waardoor ze uitstekend koken. Het bestek van hun uitzet heb ik ook nog: roestvrij staal design uit de jaren zestig dat niet uitblinkt in schoonheid, maar onverwoestbaar is. Een deel van hun oude servies heb ik ooit weggegeven aan een archeoloog voor zijn vergelijkingscollectie van 20e eeuws aardewerk.

Onze eettafelstoelen heb ik meegenomen uit het kantoor van mijn oude baas toen hij dat wilde gaan restylen. De stoelen waren nog prima en nu, zes jaar later doen ze het nog. Alleen af en toe de dopjes van de poten vervangen. De glazen eetkamertafel is ooit door de eigenaar afgedankt nadat het stalen frame bij een verhuizing verbogen was. Twee vrienden met technische aanleg van me hebben het recht gebogen en de tafel staat nu bij ons. Je merkt er niets van dat het frame op twee plekken gebroken is. En op die tafel staat een kandelaar voor vier kaarsen die ook bij het vuilnis is weggehaald.

Ik merk steeds dat ik er lol in heb om spullen die nog een heel leven voor zich hebben dat hele leven ook te geven. Dat is niet uit zuinigheid, maar gewoon omdat ik het zonde vind om design weg te doen of spullen die het nog prima doen weg te gooien. Jammer van alle moeite die er ooit in gestoken is. Maar mijn vrouw moet zich rotgeschrokken zijn toen ze er achter kwam dat ze getrouwd was met een vuilnisbakkenras.

Misschien krijgt ze de smaak toch te pakken: laatst kwam ze met een aantal bordjes en kopjes thuis van een servies waar ik een paar borden van heb, maar dat echt te duur is om echt aan te schaffen. Een vriendin van haar had ze niet meer nodig. Nu drinken we ’s middag’s high tea uit echte Wedgewood theekopjes…


Behoud door behoud (2)

augustus 29, 2013

Het hemelse gerecht heeft zich ten lange leste
Ontfermd over mij en mijn benauwde veste

of zoiets…

En dan is er nog ‘Constantijntje, zalig kijndje’ en iets met een ‘lodderoogh’, maar verder dan dat strekt mijn kennis van Vondel (1587-1679) niet. Van Bredero (1585-1618) ken ik slechts de uitdrukking ‘Het kan verkeren’ en van Jacob Cats (1577-1660) slechts één sneldicht:

Een sneldicht is een dicht dat snel en dicht is.

Daarmee is mijn kennis van de 17e eeuwse Nederlandse poezie (pakweg 400 jaar oud) wel uitgeput en ik denk dat ik vrij representatief ben voor het hoogopgeleide deel der natie, Neerlandici natuurlijk uitgezonderd. Eigenlijk is dat behoorlijk beschamend.

Dat is heel anders in Iran en niets kan dat beter illustreren dan het volgende video-fragment.

Dit is een aflevering van Shabake Nim, ‘kanaal 1/2’, de Iraanse versie van Spitting Image, satire die vanzelfsprekend niet in Iran gemaakt wordt, maar in de VS door een Iraanse satelietzender. Het gaat me alleen nu even niet om de satire, maar om de inhoud van de sketch die op 15:20 begint. Een gesprek tussen twee hooggeplaatste Iraanse geestelijken waar u waarschijnlijk niets van begrijpt (rechts Rafsanjani, de linker ken ik niet).

Dat gesprek is een spelletje waarbij de spelers dichtregels uitwisselen: mosja’er. De eindletter van de eerste dichtregel is de beginletter van de dichtregel die je medespeler moet opdissen. Het spel is populair onder Iraniers. Ze leren er ook genoeg gedichten voor op school en het is helemaal niet raar als een gewone Iranier op straat u kan vergasten op strofes van Ferdowsi (935-1020), Omar Khayyam (1048-1123), Sa’adi (1184-1291) of Hafez (1320-1390), om alleen de meest bekende maar te noemen.

Poezie van meer dan duizend tot ruim zeshonderd jaar oud. Het is in Iran nog steeds levende traditie en dat komt omdat deze poezie is verweven met het dagelijks leven. Dichtwerken worden nog steeds gezongen, geraadpleegd op Yalda, het feest in de nacht van 21 december, in de hoop een aanwijzing te vinden over de lotgevallen van het komende jaar. Graven van beroemde dichters zijn geliefde plekken om op bezoek te gaan.

Op de Iraanse televisie zijn quizprogramma’s te zien waarbij kandidaten een los woord krijgen en daar uit het hoofd een dichtregel bij moeten vinden. Dezelfde wedstrijdjes worden thuis gespeeld.

En zelfs als ze hun eigen politici belachelijk willen maken, wordt er gebruik gemaakt van dichters van eeuwen her…


Koningslied

april 21, 2013

De paniek is geloof ik een beetje toegeslagen nu het koningslied openbaar is gemaakt. Het schijnt echt heel, héél erg slecht te zijn. Slechter dan onze slechtste inzending voor het Eurovisie Songfestival. Velen vragen zich af of het nog recht te trekken is.

Welnu, ik heb een oplossing. Het is wel een beetje een raar idee hoor. Misschien is het voor de gemiddelde Nederlander wel iets té revolutionair. Maar toch durf ik -we hebben immers nog maar enkele dagen te gaan en de nood is dus groot- het volgende voor te stellen: het Wilhelmus?

De tekst is 16e eeuws, mogelijk gedicht door een Nederlander en de muziek is even oud: een Noord-Frans Hugenotenlied. Ik heb altijd begrepen dat het oorspronkelijk een dansmelodie is, maar welke dans erbij hoort, daar ben ik nooit achter gekomen. In ouderdom wordt het alleen overtroffen door het volkslied van Japan, dat een tekst uit de negende eeuw schijnt te hebben, maar een melodie uit de negentiende. ‘Ons’ Wilhelmus is dus het oudste volkslied ter wereld.

Het Wilhelmus heeft niet alleen een lange, maar ook een bewogen geschiedenis. Zo is het een tijd geen nationale hymne geweest. Mijn vader heeft mij eens verteld dat die plek ooit bijna is ingenomen door ‘Waar de blanke top der duinen’, u weet wel, die van ‘van vreemde smetten vrij’. Het is ook niet begonnen als volkslied, maar als propaganda van opstandelingen tegen het door God boven ons gestelde bevoegd gezag. En bijna vanzelfsprekend zijn de katholieken een tijdje mordicus tegen het lied geweest. Het lijkt wel Holland. Ik wil maar zeggen: qua erfgoed is het Wilhelmus iets om trots op te zijn, ware het niet dat we Nederlanders waren.

Laten we wel wezen: net als van het koningslied kent niemand de tekst. Het wordt nauwelijks gezongen en bovendien moet het ongeveer twee keer zo snel gezongen worden dan men normaal doet. Er valt voor de vele oranjeverenigingen en andere enthousiastelingen een heleboel te oefenen op al die vijftien coupletten op bijna-rap-tempo. De muziek en de tekst zijn overal te vinden, alleen nog een vrijwillige volkszanger die het even voor wil doen voor het juiste tempo.

Maar ja, dit is natuurlijk wel een héél wild idee…


Dakhaas

januari 22, 2013

Dakhaas01

Dezer dagen lees ik een Duitse vertaling van een verzameling zeer vroege christelijke geschiften. Buitengewoon saaie leesstof en het boek is bovendien erg dik, dus ik ben er nog wel even zoet mee.

Gisteren kwam ik -in een voetnoot- een wel heel verrassend antwoord tegen op de vraag: waarom wordt in het Nieuwe Testament -en in de Christelijke kunst- de Heilige Geest weergegeven als een duif?

De vertaler merkt op dat duiven nicht sehr flugfreudig zijn. Die observatie deelt hij met vele stedelijke fietsers die de beesten doorgaans wel kunnen vervloeken. De conclusie uit dat gegeven is echter opmerkelijk: het kenmerk van de duif is niet zozeer dat hij pleegt te vliegen, als wel dat hij veelvuldig neerstrijkt.


Vondst van de dag

december 11, 2012

Er gaan dagen voorbij dat ik niet in de Apocalyps zit te lezen, maar gisteren was een uitzondering. Enkele jaren geleden kocht ik een dik Duits boek met een vertaling van het gehele Nieuwe Testament plus allerlei apocriefe vroeg christelijke geschriften. Dat boek lag een hele tijd ongelezen op de plank en enkele weken geleden besloot ik me er toch eens aan te wagen. In de trein van huis naar werk las ik me door de Didache en de brief van Barnabas heen, samen met de meer bekende brieven van Paulus. Gisteren was ik aangekomen bij de Apocalyps, hoofdstuk veertien alweer, en las ik dit:

Toen wierp de engel zijn sikkel op de aarde en oogstte de wijngaard van de aarde. Hij wierp de trossen in de grote perskuip van Gods woede. De perskuip werd getreden buiten de stad, en bloed stroomde eruit tot aan de teugels van de paarden, over een afstand van zestienhonderd stadiën. (Apoc 14:20)

Ik las het natuurlijk in het Duits, maar ik heb er even de Willibrordvertaling bij gehaald van een tekst die gaat over het einde der tijden en het Laatste Oordeel. Geen prettige kost om te lezen, want de schrijver van de Apocalyps gaat volledig uit zijn dak waar het de beschrijving van allerlei rampen betreft. Deze tekst deed me aan een heel andere tekst denken:

Er waren schitterende dingen te zien. Sommige van onze mannen (dat was nog het meest genadig) onthoofdden hun vijanden; anderen schoten hen dood met pijlen, zodat ze van de torens vielen; weer anderen folterden hen langer door hen in het vuur te werpen. Je zag stapels hoofden, handen en voeten in de straten van de stad. Je moest je een weg banen door de dode lichamen van mannen en paarden. Maar dat was nog niets vergeleken bij wat er gebeurde in de tempel van Salomo, waar gewoonlijk de godsdienstoefeningen werden gehouden. Wat gebeurde daar? Als ik dat vertel, zult u het niet geloven. Laat ik althans dit zeggen, dat de mannen in de tempel en het voorhof van Salomo tot aan hun knieën en de teugels van hun paarden door het bloed waadden. Het was een rechtvaardige en prachtige straf van God dat deze plaats onder het bloed van de ongelovigen zat, omdat Hij zo lang te lijden had gehad van hun godslastering.

Hier wordt geen laatste oordeel beschreven, maar een historische gebeurtenis: de inname van Jerusalem door de kruisvaarders op 15 juli 1099. Daarbij werd vrijwel de gehele bevolking van Jerusalem over de kling gejaagd. De schrijver -Raymond d’Aguilers- is een ooggetuige, of schreef de ervaringen van een ooggetuige op.

Er is door geleerden veel geschreven over de passage waarin de hoogte tot waar het bloed door de straten stroomde wordt beschreven. Een mens bevat ongeveer vijf liter bloed. Wil het bloed tot de enkels staan, zeg tien centimeter, dan heb je minimaal twintig gesneuvelden per vierkante meter nodig, volledig leeggebloed. Da’s best veel. Wil het bloed tot aan de teugels van de paarden staan, dan is al snel duidelijk dat hier overdreven wordt. Er is wel geopperd dat de paarden tot aan hun teugels onder de bloedspatten zaten en dat is niet ondenkbaar.

Maar de discussie is de verkeerde: de schrijver overdrijft niet en heeft ook niet de bedoeling om te overdrijven. Hij refereert aan een bijbeltekst die -in alle betekenissen van het woord- apocalyptische gebeurtenissen beschrijft. De kruisvaarders zagen de inname van Jerusalem niet zomaar als de inname van een stad, maar als een gebeurtenis die wellicht een rol speelde of zou gaan spelen in de heilsgeschiedenis. Met één citaat werd dat duidelijk gemaakt aan de lezer, die destijds natuurlijk wat bijbelvaster was dan tegenwoordig.

Nog in de trein sms-tje ik mijn vondst aan een vriend en die sms-te direct terug: “wow”.


Behoud door behoud

september 2, 2012

Het manuscript dat u hierboven ziet, uit een klooster in Sankt Gallen in Zwitserland, stamt uit de negende eeuw en geeft de tekst weer van een kerkelijk gezang dat tijdens de kersttijd gezongen werd. De tekentjes boven de tekst zijn een primitieve vorm van muzieknotatie. Daaruit is uiteindelijk het notenschrift dat wij nu gebruiken ontwikkeld.

De tekst van het gezang is een Latijnse vertaling van een psalm (98:3) en komt overeen met de vierde eeuwse Vulgaat. Er bestaan echter heel veel van deze gezangen en die hebben vaak afwijkende teksten, van Latijnse vertalingen die veel ouder zijn. De reden daarvoor lijkt vrij voor de hand te liggen: tekst en melodie zitten aan elkaar vast, die kun je niet zomaar uitwisselen. De melodieën zouden dus best eens veel ouder kunnen zijn dan de vierde eeuw. We kennen ook gezangboeken die veel ouder zijn dan de negende eeuw. Alleen hebben die geen muzieknotatie. De oudste gezangtekst die we kennen zonder muzieknotatie, is vierde eeuws.

Uit schriftelijke bronnen uit die tijd weten we ook dat men in de negende eeuw de muziek van deze gezangen begon te noteren, omdat de uitvoeringspraktijk sterk achteruit liep. Dat kwam door de opkomst van andere muziekstijlen. De melodieën die bij de teksten hoorden, zijn dus met zekerheid ouder dan de negende eeuw. Ze werden daarvoor uit het hoofd gezongen, of van bladen met alleen de tekst en pas toen de geheugens gingen haperen begon men ook de muziek te noteren.

Die notatie was dus een behoudsmaatregel. Het moeten conservatieve monniken en nonnen zijn geweest die zich niet om al die nieuwe muziekstijlen bekommerden en de taak op zich namen om deze oude zangwijze voor het nageslacht te bewaren. Dergelijke geestelijken zijn er sinds de negende eeuw altijd geweest, waardoor deze traditie, nu bekend als Gregoriaans, nog steeds bestaat.

Er zijn sinds de negende eeuw nogal wat stijlen in de kerkmuziek tot bloei gekomen en de geestelijken en musici die het gregoriaans hebben bewaard, moeten vaak tegen de stroom in hebben geroeid. Het Gregoriaans is de bakermat van alle westerse muziek. Gezangen uit het repertoire werden gebruikt voor de nieuwe experimenten met polyfone muziek, waarin meerdere melodieën tegelijk klinken. Zo ook dit gezang, dat door de Parijse componist Perotinus polyfoon werd gezet zo rond het jaar 1200.

Dat hergebruik is nooit opgehouden. Gregoriaanse thema’s zijn terug te vinden tot in de popmuziek toe. Je zou het ‘behoud door ontwikkeling’ kunnen noemen. Dat is een concept uit de monumentenzorg dat veelal uitmondt in het herbestemmen of herontwikkelen van terreinen en gebouwen met een cultuurhistorische waarde. Het idee is dat je iets kunt behouden door het in een nieuwe omgeving een eigen, nieuwe plek of functie te geven die ook past in die nieuwe omgeving.

Maar het Gregoriaans is niet behouden doordat het gebruikt en herbestemd werd in de westerse muziek, het werd behouden door een combinatie van religieuze fundamentalisten en fanatieke musici die deze traditie volledig, compleet en onveranderd wilden bewaren en het ook op die plek wilden houden waar het hoorde: in de eredienst. Niks geen veranderingen, geen behoud door ontwikkeling maar behoud door behoud!

Die aanpak is door de bank genomen succesvol gebleken. Uiteraard is de uitvoeringspraktijk van het Gregoriaans in de loop van de Middeleeuwen veranderd. Meestal gebeurde dat door de toepassing van nieuwe muziektheoretische ideeën in combinatie met het verlies van kennis over de oorspronkelijke zangwijze. In de 19e eeuw zette een nieuwe ontwikkeling in van onderzoek naar de vroegmiddeleeuwse praktijk en naar de vroegste manuscripten. Ook dat onderzoek werd veelal gedaan door monniken, maar de resultaten sijpelden door naar beroepsmusici, zoals mijn vader.

Dat alles heeft tot gevolg gehad dat ik nu, twaalf tot zestien eeuwen later, dit gezang met gebruikmaking van dit manuscript zo kan voorzingen. Ik ken het niet uit mijn hoofd, maar ken het goed genoeg om het met dit geheugensteuntje ten uitvoer te brengen. Dat geldt voor veel kerkzangers, die nog steeds, overal ter wereld, dit gezang met kerst -en een heleboel andere Gregoriaanse liederen op andere dagen- ten gehore brengen.