Noodklok

juni 29, 2012

Mijn moeder doorliep in de jaren vijftig wat toen ‘de Kweekschool’ heette. In haar geval was dat een door nonnen gerund instituut in een middelgrote stad in het toen nog zeer Roomsch Katholieke zuiden des lands.

In de buurt van ‘de Kweek’ lag een klooster van een bedelorde. Dat waren toen nog wat de naam al aangaf bedel-ordes: monnikken of nonnen die leefden van wat hen door de mensen werd gegeven. Ze gingen in die tijd soms ook nog echt langs de deuren uit bedelen, al was dat ook destijds al een uitstervende gewoonte.

Het klooster had een noodklok: een klok die uitsluitend werd geluid als de bewoners van het klooster helemaal niets meer hadden en zich moesten gaan afvragen wat ze de volgende dag zouden eten. Met die noodklok werd de nijpende aard van de situatie den volke kond gedaan en die reageerde daar doorgaans direct op.

Het werd als een grote schande ervaren als de noodklok werd geluid, want het betekende dat de mensen niet goed genoeg voor de kloosterlingen hadden gezorgd. De heftigheid van die emotie kan worden geillustreerd met het feit dat in de minstens vijf jaar dat mijn moeder op ‘de Kweek’ zat, die noodklok slechts éénmaal heeft geluid.

Afgelopen week hoorde ik tijdens een kerkdienst in de hoofdstad een mededeling afkondigen: er werd door de plaatselijke vrijwilligers een inzameling gehouden voor de voedselbank die momenteel, vanwege de crisis, kampt met ernstige tekorten. Kerkbezoekers konden gedurende een aantal weken houdbaar voedsel inleveren bij een stand achterin de kerk.

Voor wie niet thuis is in kerkelijke dingen: dit zijn acties die normaal gesproken tijdens de vasten -zeg maar de christelijke ramadan- worden gehouden. Dat is het nu niet. Erger nog: het is nu zomer en ook voor kerken is dat een periode waarin het aantal bezoekers laag is. De nood moet dus wel heel hoog zijn.

De voedselbank heeft geen noodklok en zou die er wel één hebben, dan zou het effect van het klokgelui waarschijnlijk alleen maar bezwaren tegen de geluidoverlast zijn en klachten over ‘dat mensen dan maar een baan moeten zoeken’. De Tweede kamer heeft inmiddels vergaderd over het nuttig gebruik van europese voedselhulp -waar we aan mee betalen- en dat geblokkeerd, zodat de voedselbank nu extra afhankelijk is van vrijgevige kerkgangers.

Er is iets veranderd in de samenleving en ik vraag me vooral af of we het nog wel ‘samenleving’ kunnen noemen.

Advertenties

De juiste vraag

juni 21, 2012

Iedereen kent waarschijnlijk wel deze tekst op de vloer van zijn plaatselijke vestiging van de Zweedse meubelgigant. Ik krijg altijd de neiging om een viltstift mee te nemen en er wat bij te zetten:

Dat zegt niks, ik wil weten wanneer deze vloer voor het laatst is vernieuwd!


Foute Mona

juni 20, 2012

Beste Anneke,

Als iemand bij jou in de straat roddels verspreidt over je doen en laten, kun je hem aanklagen wegens smaad. Als een journalist in de krant iets over je publiceert wat niet klopt, kun je een rectificatie eisen. Maar als Annelies van der Veer in de Metro stukjes schrijft over de islam waarin precies alleen die informatie voorkomt waarmee je een kwalijke indruk kunt wekken en waaruit alle informatie wordt weggehouden waaruit zou kunnen blijken dat je de zaken verkeerd voorstelt, of zelfs gewoon ongelijk hebt, dan doe je daar niks tegen.

Omdat de Mona van Dienst dus momenteel alleen geïnteresseerd is in het verspreiden van stemmingmakerij, en het jammer zou zijn als je het slachtoffer zou worden van domme, onvolledige en bevooroordeelde informatievoorziening, stuur ik je dit alternatieve antwoord op je vraag.

Wat heerlijk voor je dat je zo verliefd bent en leuk dat je gaat trouwen met je Mo. Gefeliciteerd! Maar je vriendin heeft wel degelijk een punt, er zitten risico’s aan het religieus, in jouw geval, islamitisch trouwen. Dus heel goed dat je die vraag stelt.

Allereerst moet je een verschil maken tussen een islamitisch huwelijk en een huwelijk dat wordt erkend door het land waarvan je vriend de nationaliteit heeft. Een islamitisch huwelijk sluit je bij een islamitische geestelijke. Dat heeft verder geen enkele wettelijke consequentie. Het is alleen zinnig als je het doet uit geloofsovertuiging.

Iets anders is erkenning door het land waar je vriend de nationaliteit van heeft. Er zijn islamitische landen die alleen een islamitisch huwelijk erkennen. Als je daar wilt gaan wonen of op vakantie wilt gaan met je man, kan het handig zijn om ook islamitisch getrouwd te zijn, bijvoorbeeld omdat je anders niet met je man op één hotelkamer mag, of erger.

Islamitisch trouwen is zo gebeurd maar scheiden is een ander verhaal! Ook daarvoor moet je bij een islamitische geestelijke zijn, en ook zo’n scheiding moet worden erkend door -bijvoorbeeld- de ambassade van het land waar je man de nationaliteit van heeft, willen er juridische consequenties aan vast zitten.

Aan een islamitische scheiding op zich heb je in Nederland niks. Dat komt doordat het islamitisch recht, de sharia, niet geldig is in Nederland, net zoals bijvoorbeeld een kerkelijke nietigverklaring van een huwelijk voor het Nederlands recht niet geldig is als echtscheiding. Maar de erkenning van je echtscheiding door het land waar je man de nationaliteit van heeft, kan wel heel belangrijk zijn.

Over de consequenties moet je dus goed nadenken. Allereerst over welke sharia-variant je het hebt, want er bestaan grote verschillen tussen de vier soennitische rechtsscholen. En die verschillen ook weer van het sji’ietische recht. In sommige rechtsscholen zijn de rechten voor de vrouw als het gaat over het zelfstandig aanvragen van een echtscheiding heel beperkt. Zo beperkt dat echtscheiden praktisch het alleenrecht van de man is! Je kunt wat dat betreft het beste trouwen volgens het Malikitische recht, dat wat dit betreft veel vrouwvriendelijker is.

Let er wel op dat veel zogenaamde ‘islamitische landen’ zich niet altijd aan de letter van de sharia houden, soms zelfs niet aan de geest. In Iran bijvoorbeeld is bepaald dat de Iraanse wet vóór de islamitische gaat. Kijk dus ook goed naar het recht van het land dat jullie huwelijk moet erkennen!

Maar er is meer wat je kunt doen. Volgens de sharia is een huwelijk veel meer een zakelijk contract dan wij hier in Nederland gewend zijn. Een islamitisch huwelijk bestaat dan ook vooral uit het ondertekenen van een huwelijkscontract. Over de inhoud van dat contract wordt van te voren onderhandeld en ik raad je aan in jouw huwelijkscontract een aantal zaken op te nemen die volgens de sharia opgenomen mogen worden.

Zo kun je een bepaling in je huwelijkscontract opnemen dat je man geen andere vrouwen mag huwen zolang hij met jou getrouwd is. Zo voorkom je polygamie, wat in principe is toegestaan. In sommige islamitische landen -zoals Marokko- is polygamie sowieso niet toegestaan. Je kunt ook in het contract laten opnemen dat je het recht hebt zelfstandig, en zonder opgaaf van redenen, een echtscheiding aan te vragen. Zo voorkom je dat alleen je man dat recht heeft.

Een standaard onderdeel van een islamitisch huwelijkscontract is de bruidsprijs: het bedrag dat je man je moet betalen als hij je ooit verstoot. Zorg ervoor dat dat bedrag niet te laag is, want soms is het de enige vorm van alimentatie die je na een echtscheiding krijgt! In sommige islamitische landen is het niet ongebruikelijk om bruidsschatten af te spreken van enkele tienduizenden dollars, plus een kilo goud, plus een eigen huis plus een reis naar Mekka, om maar een voorbeeld te noemen.

Er zijn moslims die als onderdeel van de bruidsprijs iets onmogelijks opnemen. Daar zit de volgende gedachte achter: wanneer de man zijn vrouw verstoot, mag de vrouw haar bruidsprijs opeisen. De man kan die dan niet betalen, zodat de vrouw iets anders kan eisen in plaats daarvan, bijvoorbeeld de voogdij over de kinderen, want standaard gaat die naar de man als er niets geregeld is.

Er zijn zelfs moslims die in hun huwelijkscontract laten opnemen dat bij een eventuele scheiding het recht van het land waarin ze wonen van toepassing is. Als jullie in Nederland gaan wonen, zou dat beter zijn, in verband met alimentatie en dergelijke. Dat is in het Nederlands recht voordeliger geregeld.

In het Nederlands recht is heel veel al standaard geregeld, en daar hoef je dus niet echt op te letten als je trouwt. In de sharia kun -en moet!- je heel veel zelf bepalen en is het dus zaak om je hoofd erbij te houden. Zorg ervoor dat alles in je huwelijkscontract dus goed geregeld is, als je dat niet doet, zijn de standaard-bepalingen uit de sharia van toepassing en daar kun je -als het fout loopt- behoorlijk het slachtoffer van worden. Voorkom dus dat je straks te horen krijgt dat je je ‘maar moet neerleggen bij je situatie’!

Bedenk dat er ook voordelen zitten aan een islamitisch huwelijk. Zo is je man altijd verplicht om jou te onderhouden, maar niet andersom. Zelfs al zou jij in de toekomst veel rijker worden dan je man, dan nog is hij verplicht je te onderhouden. Doet of kan hij dat niet, dan is dat in sommige rechtsscholen voldoende reden voor de vrouw om zelfstandig een echtscheiding aan te vragen. Daarom erft een man ongeveer twee keer zoveel als een vrouw volgens de sharia.

Mijn advies: islamitisch trouwen, denk niet alleen na over de vraag of je het wilt, maar als je het wilt vooral over hoe! En let bovendien op het recht van het land waar je vriend de nationaliteit van heeft: dat strook lang niet altijd met de sharia.


Ongeloof

juni 19, 2012

Ergens in mijn achterhoofd zitten nog steeds een paar hersencellen die het niet echt geloven en wachten op de persconferentie waarop Geert Wilders onthult dat het allemaal een grap was, een practical joke in de stijl van BNN’s Donorshow.

Het zou me werkelijk niet verbazen als op die persconferentie blijkt dat Wilders  het hele project PVV heeft opgezet om ons een lesje te leren. Het lesje dat we hier ondanks bezetting, racisme, Endlösung en het besef dat we daar vooral zelf aan meegewerkt hebben, helemaal niets hebben geleerd. Dat haat zaaien en uitsluiten nog steeds dé manier is om politieke macht te verwerven. Dat we, onderwijs en voorlichting ten spijt, nog steeds dom en manipuleerbaar stemvee zijn dat overal in stinkt.

Ik denk dat omdat het er allemaal zo geweldig dik bovenop ligt. Iedereen kan met een bezoek aan de openbare bibliotheek nakijken of wat Wilders zoal over de islam of Europa zegt een beetje klopt. Niet dus, de man debiteert niets dan onzin en onderbuikgevoelens. De man leidt een politieke partij die helemaal geen politieke partij is, hij regeert de club als alleenheerser en diverse van zijn politieke voorstellen passen beter in een totalitaire heilsstaat dan in een rechtsstatelijke democratie.

Hoeveel politici zullen het hebben gepresteerd direct na de verkiezingen een belofte aan de achterban te breken? Veel, maar ik kan zo gauw geen politicus bedenken die dat deed op een moment dat er nog helemaal geen enkele druk op hem stond om dat te doen. Wilders deed het wel en gaf zo aan precies datgene te zijn wat hij beweert te verafschuwen.

Hoeveel politici hebben zich de afgelopen tijd opgeworpen als verdediger van ons Joods-Christelijk erfgoed? Best wel een aantal, maar alleen Wilders laat regelmatig blijken van dat Joods-Christelijk erfgoed nog minder te begrijpen dan van het islamitische. Hoeveel politici laten liever niet weten wie hen financiert? Ik denk allemaal, maar alleen Wilders zegt hardop dat hij iets te verbergen heeft.

Welke politicus heeft ooit zijn coalitiegenoten zeven weken lang in de waan gelaten dat hij enthousiast meedeed om op het allerlaatste moment, het moment dat er geen tijd meer leek te zijn om de deadline uit Brussel nog te halen, de stekker eruit te trekken? En dat met geen ander doel dan van de gevolgen vanuit Brussel dankbaar gebruik te maken tijdens de vervroegde verkiezingen.

Dit moet een opzetje zijn: de kiezer wordt gewoon té openlijk belazerd. Die kan achteraf niet zeggen dat hij het niet geweten heeft. Vandaar dat ik die persconferentie verwacht waarin Wilders ons onder de neus wrijft hoe ongelofelijk stom we er met open ogen in getuind zijn. Weer.

En er is ook zo verschrikkelijk goed over nagedacht. Zelfs qua literaire thematiek klopt het als een bus. In westerse verhalen waarin een bad guy voorkomt, is er altijd wel iets met het personage dat hem herkenbaar maakt. Dat is het duidelijkst aan de bad guy bij uitstek: de duivel. Niet alleen in Middeleeuwse verhalen is er met de duivel altijd iets mis, zoals Moenen een  oog miste, maar ook in moderne verhalen. Herinnert u zich Al Pacino in Advocate of the Devil? Daarin droeg de duivel extra hoge steunzolen om te verbergen dat hij een nogal klein postuur had. Moenen in een modern jasje.

Zelfs dat klopt in het opzetje van Wilders: hij blondeert zijn haar, men zegt om te verbergen dat hij Indo is. Op zichzelf is dat al een meesterzet: een man die zelf uit een ethnische minderheidsgroep komt en zijn politieke pijlen richt op andere ethnische bevolkingsgroepen, kan het nog duidelijker? Maar Wilders geblondeerde haardos wijten aan zijn afkomst is niet nodig: de mate van ijdelheid die eruit blijkt, is al voldoende om van hem de Moenen van de Nederlandse politiek te maken.

Als die persconferentie er straks komt, zal dan ook niemand, echt helemaal niemand, kunnen zeggen dat ze het niet geweten hebben. Zelfs de literaire signalen waren luid en duidelijk.


Kruistocht (4)

juni 18, 2012

Dit is het vierde en laatste deel van een recensie van het boek van Hans Jansen Op, op, ten strijde, Jeruzalem bevrijden! De eerdere delen vindt u hier, hier en hier. In de laatste bijdrage betoogde ik dat Jansen niet alleen feiten negeert en weglaat, maar suggereerde ik ook dat hij zijn literatuur niet goed gelezen heeft. Over dat punt is iets meer te zeggen.

Aan het begin van zijn boek geeft Jansen aan dat er al veel literatuur geschreven is over de kruistochten, door heel goede historici. In zijn allereerste noot vernoemde hij de Engelse historicus Asbridge, wiens werk Jansen kennelijk zo nauwgezet volgt, dat hij zich bij voorbaat excuseert voor de indruk van plagiaat. Persoonlijk viel me zoveel overeenkomst niet op trouwens. Elders in zijn boek wordt Asbridge door Jansen afgeschreven als serieus wetenschapper omdat hij in Londen werkt. Londen is in de ogen van Jansen een centrum van islamitische propaganda en Asbridge zal zijn boek uit voorzichtigheid wel hebben ‘aangepast’. Jansen zegt dat laatste niet letterlijk, hij suggereert het alleen maar, zoals zo vaak in zijn boek.

Uit Jansens notenapparaat blijkt dat hij zich voornamelijk op drie boeken baseert. Christopher Tyermans Gods’ War: A new history of the Crusades; Rodney Starks God’s Battalions: The Case for the Crusades en Robert Spencers The Politically Incorrect Guide to Islam (and the Crusades). Uit Rodney Stark geeft Jansen hele -en wetenschappelijk vederlichte- verhandelingen weer over de aard en het karakter van godsdienstig gedrag en de moderne seculiere visie daarop. Daarnaast bevat zijn bibliografie ook meer courante titels, zoals de eerder genoemde Asbridge, de klassieker van Runciman en Amin Maalouf. Maar omvangrijk is zijn bibliografie niet en naar de courantere literatuur wordt lang zo vaak niet verwezen in de noten.

Daarnaast stikt het boek van de slordigheden. De tekst wemelt van de niet-lopende zinnen en zetfouten. De Libanese kustplaats Tyrus wordt consequent aangeduid met ‘Tyre’, de Engelse naam, en op blz 102 verwart Jansen Guy de Lusignan met Raymond III van Tripoli -zoiets als Jolande Sap verwarren met Geert Wilders.

Het lijkt allemaal te wijzen op een niet-historicus die ten behoeve van de standpunten van de eigen club ‘even’ in de geschiedenisboeken is gedoken en in relatieve haast zijn eigen verherinterpretatie van wat hij zo gauw gevonden heeft aan het papier heeft toevertrouwd. Dat ging makkelijk want het doel stond al voor ogen en het moet gezegd: Jansen schrijft goed, met een superieur gevoel voor humor.

Maar het gevolg van die aanpak is een betoog waarin de vooropgezette meningen van de schrijver, of diens doelgroep, nadrukkelijker naar voren komen dan het verhaal zelf. Het bekende spreekwoord ‘sommige mensen denken dat ze denken wanneer ze hun vooroordelen rangschikken’ lijkt hier bijzonder goed van toepassing. Dat wordt wel heel erg duidelijk in de passage waarin Jansen probeert de stagnatie van de wetenschap in de islamitische wereld te verklaren door te verwijzen naar de sharia, volgens welke het geloof in causaliteit feitelijk geloofsafval betekent. Geen moslim die van zijn geloof af wil vallen -daar staat de doodstraf op- dus geen interesse in causaliteit en dus ook geen wetenschappelijke ontwikkeling.

Een simpeler model om het gedrag van mensen die zich moslim noemen te verklaren bestaat haast niet. In werkelijkheid zal geen moslim zich iets gelegen laten liggen aan de meningen van hoogacademische schriftgeleerden inzake de precieze status van oorzaak en gevolg in het universum versus de almacht van God. Evenmin zal een islamitisch veldheer voor hij zijn tactisch plan maakt in de islamitische variant van de catechismus kijken of hij het allemaal wel goed aanpakt. Het komt er kort gezegd op neer dat als je wilt weten hoe een katholiek zich gedraagt, je dat kunt navragen bij oudere, vrijgezelle mannen in één bepaalde wijk van de hoofdstad van Italië.

Toch moet je -in Jansens ogen- als eerste in shariahandboeken kijken omdat daar nauwkeurig in beschreven staat hoe een moslim zich dient te gedragen. Wie dat niet doet, mist volgens hem een belangrijk deel van het plaatje van de kruistochten. Bij herhaling valt in zijn boek dan ook te lezen dat de handelwijze van deze of gene moslimbestuurder overeenkomt met de voorschriften in de sharia. Zo suggereert hij dat het de sharia is die die handelwijze heeft ingefluisterd, zonder het -wederom- expliciet te beweren.

In werkelijkheid is het leven sterker dan de leer -zoals het katholieke gezegde luidt- en volgt de pastorale praktijk -waaronder shariahandboeken- de werkelijkheid eerder dan andersom.

Jansen past zijn sharia-principe bovendien op een buitengewoon onhistorische manier toe. Het enige shariahandboek dat hij citeert is geschreven in 1994. Toen waren de kruistochten toch echt voorbij. Het enige andere handboek dat hij noemt, is pas na de kruistochten geschreven. Zelfs een niet-historicus zal dan de vraag verzinnen of wat in die boeken staat niet mede is gevormd door de ervaringen van moslims tijdens de periode van de kruistochten.

Jansen behandelt die voor de hand liggende tegenwerping nergens. Dat is niet uit onkunde, zelfs niet uit onwil. Voor Jansen staat zo onwrikbaar vast dat de islam en de sharia -om het cliché maar eens van stal te halen- een onveranderlijk monolithisch blok vormt, dat het niet eens nodig is die stelling te verantwoorden. Van dergelijke rotsvaste zekerheden heeft hij er meer. De opmerking als zou nadere verantwoording of onderbouwing van een bepaalde stelling slechts een belediging van de intelligentie van de lezer zijn, ben ik meermaals in zijn boek tegengekomen.

Zo is Jansens boek er gek genoeg één van een gelovige: de islam is een geloof dat voor een aantal vastomlijnde zaken staat, dat kun je nakijken in shariahandboeken en de koran en de geschiedenis van de islam is hieruit met een verbluffende helderheid te deduceren. Het is allemaal doodeenvoudig en logisch. Dalil-o manteq hoor ik de mullah roepen, alleen in dit geval is het de Arabist Jansen, die zelf een uitstekende illustratie vormt van één van zijn eigen grappen:

Toen kwam er een Arabist, die alles beter wist.


Kruistocht (3)

juni 16, 2012

Dit is het derde deel van een recensie van het boek van Hans Jansen Op, op, ten strijde, Jeruzalem bevrijden! De eerdere delen vindt u hier en hier. In die laatste bijdrage betoogde ik dat Jansen feiten weglaat of negeert.

Dat hij dat doet is ook goed te zien in zijn behandeling van de nasleep van de inname van Jeruzalem door Saladin in 1187. In het standaard verhaal wordt er altijd de nadruk op gelegd dat daarbij geen bloed vergoten is: Saladin en de verdediger van Jeruzalem -Balian van Ibelin- kwamen de voorwaarden voor overgave overeen tijdens harde onderhandelingen en Saladin hield zich stipt aan die voorwaarden zodat de inwoners van Jeruzalem en vrije aftocht hadden. Dit vormde een groot contrast met de inname van Jeruzalem door de kruisvaarders, in 1099, waarbij de gehele bevolking van Jeruzalem over de kling werd gejaagd.

Jansen benadrukt dat er inwoners van Jeruzalem waren die het overeengekomen losgeld niet konden betalen. Deze mensen zijn door Saladin tot slaaf gemaakt en verkocht. Hiermee wil Jansen Saladin wegzetten als ‘krijgsheer’ die op geen enkele wijze de nobele reputatie verdient die hij in de westerse geschiedschrijving heeft gekregen.

Het feit klopt, maar hij verzuimt erbij te vertellen dat de tussen Balian en Saladin overeengekomen losprijs ruim voldoende was om de gehele bevolking van Jeruzalem vrij te kopen. Het waren de rijke christenen die het vervolgens verdomden om voor hun armere geloofsgenoten te betalen, de bisschop van Jeruzalem voorop. Dat maakt Saladin natuurlijk niet meteen een heilige, maar het nuanceert het beeld dat Jansen neerzet aanzienlijk.

Voorbeelden als deze zijn er legio en ze wijzen allemaal dezelfde kant op: Jansen is een reeds vooraf ingenomen politiek standpunt ten aanzien van de islam aan het beredeneren. Dat leidt tot opvallende datamassage in zijn boek.

Op blz 290 beweert hij doodleuk dat de islamitische wereld tot 1174 geen ziekenhuizen kende en dat instituut waarschijnlijk van de kruisridders heeft afgekeken, terwijl ziekenhuizen uit de islamitische wereld al vanaf de negende eeuw bekend zijn Tegelijkertijd beweert Jansen dat de islam niets van de kruisvaarders overnam omdat deze zichzelf als superieur zag.

In een poging aan te tonen dat de westerse cultuur destijds al superieur was aan de islamitische, wijst Jansen een aantal zaken aan waaruit die gevolgtrekking helemaal niet blijkt. Dat Alexandrië in 1365 in één dag kon worden ingenomen (blz. 188), wijst helemaal niet op superioriteit van de Europese militairen, hoogstens op hoe onverwacht ze er aankwamen.

Dat Saladin zijn wapens soms bij Europese handelaren kon inkopen (blz. 288), zegt net zo weinig over de superioriteit van de Europese cultuur als de verkoop van buskruit en kanonskogels door Hollandse kooplieden aan de Spanjaarden tijdens de Tachtigjarige oorlog iets zegt over de superioriteit van de Hollandse cultuur.

Dat je met een kruisboog met minder oefening veel preciezer kunt schieten wijst hoogstens op een aantal voordelen van dat wapen. De Turken hadden er niets aan (een kruisboog schiet veel te langzaam en is onbruikbaar op een paard) en namen hem dus niet over. Dat zegt niets over islamitische superioriteitsgevoelens (blz. 289).

Grappig genoeg is er één ding dat de islamitische cultuur eigenlijk wel had moeten overnemen van de kruisvaarders: stabiele staatsstructuren en gegarandeerde rechten. Al tijdens de kruistochten viel het een islamitische schrijver op dat rechten in kruisvaardersstaten weliswaar ongelijk waren, maar wel gegarandeerd, dit in tegenstelling tot islamitische staten, waar willekeur aan de orde van de dag was. Vooral troonsopvolgingen waren een ramp en ook hier presteerden kruisvaardersstaten een stuk beter.

Die observatie wordt niet door Jansen gedaan, maar door Amin Maalouf in zijn boek over de geschiedenis van de kruistochten volgens Arabische bronnen. Deze opmerking staat helemaal achterin het boek van Maalouf en hij trekt zijn conclusie tot aan de huidige dag door. Het overdragen van de macht in het Midden-Oosten is nu nog steeds een groot probleem. Dat had wellicht anders kunnen zijn als moslims beter naar de kruisvaarders hadden gekeken, aldus Maalouf.

Het boek van Maalouf wordt door Jansen vermeld in zijn bibliografie. Het is het enige boek in de bibliografie waar Jansen commentaar bij geeft: ‘dit boek slaat te pas en te onpas ten opzichte van westerlingen een neerbuigende toon aan’. Dat is nogal wiedes. Het betreft immers een geschiedenis van de kruisvaarders door de ogen van hun vijanden. Maaloufs neerbuigende toon haalt het trouwens niet bij Jansens neerbuigende toon over moslims, historici, politici en protestanten.

Maar dat Jansen Maaloufs observatie niet heeft overgenomen, terwijl deze hier beslist een veel sterker punt heeft als het neerkomt op de vraag ‘wie was er nu superieur’, geeft te denken. Misschien is het beneden Jansens stand om zoiets van een moslim over te nemen. Maar dat zou wat eigenaardig zijn als je zelf dat verwijt juist aan moslims maakt. Persoonlijk hou ik het er dan ook op dat Jansen het einde van Maaloufs boek niet gehaald heeft.

Dat zou betekenen dat Jansen zijn literatuur niet kent. Daar is meer over te zeggen en maandag sluit ik deze recensie dan ook af met enkele observaties over de door Jansen geraadpleegde literatuur.

Volgende deel hier.


Kruistocht (2)

juni 15, 2012

Dit is het tweede deel van een recensie van het boek van Hans Jansen Op, op, ten strijde, Jeruzalem bevrijden! Het eerste deel staat hier.

Het boek handelt over de kruistochten en zet het beeld dat de meeste Europeanen daarover hebben op zijn kop. Heel kort door de bocht geformuleerd komt dat beeld op de volgende drie punten neer.

  1. De motivatie voor de kruisvaarders om op kruistocht te gaan was eerder ingegeven door landhonger en haat jegens de moslims, dan door religieuze motieven.
  2. De kruisvaarders hebben zich tijdens de kruistochten -bezien vanuit hun eigen religie- zwaar misdragen, in tegenstelling tot veel islamitische veldheren, vooral Saladin, die inmiddels ook in het westen een reputatie van ridderlijkheid hebben verworven.
  3. De kruisvaarders kwamen uit een cultuur die ernstig achterliep bij de islamitische en die dan ook heel veel kennis, wetenschap en techniek heeft overgenomen.

Jansen draait dat allemaal om. In zijn ogen bevochten de kruisvaarders de moslims om maar één doel: ervoor zorgen dat Europese Christenen veilig en ongestoord op pelgrimage konden naar Jeruzalem. Pelgrimeren valt in zijn optiek onder de vrijheid van godsdienst en de kruisvaarders waren dus eigenlijk eerder voorvechters van één van de moderne burgerlijke vrijheden. Bovendien hebben de kruisvaarders zo de islamitische expansie zo’n twee eeuwen tegengehouden en Europa de gelegenheid geboden zich verder te ontwikkelen tot wat het nu is.

Daarbij gedroegen ze zich niet meer of minder wreed dan destijds gebruikelijk was, dit in tegenstelling tot islamitische ‘krijgsheren’ (Jansen gebruikt het woord consequent) die slechts gedreven werden door de jihad, de ideologie van de heilige oorlog, en zich regelmatig bezondigden aan bloedbaden. In dat verband wijst Jansen op het verschil in scope van kruistocht en jihad: de kruistochten waren slechts op het Heilig Land gericht, jihad op de hele wereld.

Tenslotte meent Jansen dat de westerse cultuur helemaal niets van de islamitische heeft overgenomen, omdat ook ten tijde van de kruistochten het westen al voorliep op de islam. Dit punt komt niet helemaal goed uit de verf omdat Jansen zichzelf hier en daar tegenspreekt. Zo noemt hij wel voorbeelden van zaken die de kruisvaarders wel overnamen, zoals het getal nul (uitgevonden door de Hindoes, dus dat telt niet) en veel kennis over het Grieks (maar dat kwam van Christenen in het Midden-Oosten en van voor de moslims gevluchte geleerden en telt dus ook niet).

Jansen laat bij de argumentatie van die punten enorme steken vallen. Steken die zo groot zijn, dat ze eigenlijk alleen voorbeeldsgewijs kunnen worden behandeld in een blogpost. Een uitputtende behandeling van het grote aantal fouten in zijn boek zou een weer heel boek beslaan. Enkele voorbeelden dus.

Dat de kruisvaarders slechts de veilige pelgrimage naar Jeruzalem voor ogen stond wordt door Jansen beargumenteerd met de toespraak waarmee paus Urbanus II opriep tot de Eerste Kruistocht. Daarin geeft hij die veilige pelgrimage aan als reden. Dat blijkt inderdaad als je de verschillende versies die van die toespraak zijn overgeleverd met elkaar vergelijkt. Moderne historici willen nog wel eens wijzen op het grote aantal militaire conflicten in Europa rond die tijd en op de mogelijkheid dat de paus heeft willen proberen dat probleem in te dammen door de vele combattanten ergens anders heen te sturen.

Jansen wuift dat weg met het argument dat dit slechts speculaties zijn van historici en dat het verstandiger is ‘bij de feiten te blijven’. Op dit punt wordt Jansen ronduit onvriendelijk door historici te verwijten van de kruistochten een verhaal te hebben gemaakt dat eerder op speculaties dan op feiten gebaseerd is, en dat die feiten soms ronduit tegenspreekt. Het is in dit soort passages dat Jansen smijt met kretologie als ‘de linkse kerk’.

Maar Jansens liefde voor de feiten is ook niet bijster groot. Zo negeert hij één van de de oudste versies die we kennen van Urbanus’ toespraak, vermoedelijk opgetekend door een ooggetuige. Driekwart van die tekst gaat over het probleem van het grote aantal krijgshandelingen in Europa en de vraag of al die ridders en andere hooligans niet beter ergens anders ingezet kunnen worden.

Ook negeert hij het feit dat de kerk voorafgaand aan de kruistochten de zogenaamde ‘godsvredebeweging’ had opgezet, die als doel had het grote aantal krijgshandelingen te verminderen. Dat project is totaal mislukt en het ligt dan ook voor de hand om te stellen dat de kruistochten mede tot doel hadden te slagen waar de godsvredebeweging had gefaald.

Iets vergelijkbaars gebeurt bij het idee dat de kruisvaarders eigenlijk vooral uit waren op het veroveren van land, en dus helemaal niet zo religieus gemotiveerd waren. In de meest courante literatuur wordt daarop gewezen, bijvoorbeeld wanneer Boudewijn van Boulogne tijdens de Eerste Kruistocht in het huidige Oost Turkije een aanzienlijk grondgebied verwerft, het kruisvaardersstaatje Edessa, en daar ook blijft als de rest van de kruistocht doortrekt naar Jeruzalem.

Jansen constateert dat Edessa later van groot belang is geweest voor het koninkrijk Jeruzalem en oppert in de vorm van een vraag de mogelijkheid of Boudewijn wellicht groot strategisch inzicht had. In wezen beweert Jansen dus niets, hij stelt alleen een vraag, maar de suggestie is gewekt dat moderne historici het mis hebben. Dat doet hij vaker in zijn boek.

Jansen laat weg dat Boudewijn tevoren in Europa door familieomstandigheden al zijn aanspraken op land was kwijtgeraakt, en ook dat de heren edellieden in en rond het huidige Oost-Turkije bijna twee jaar lang naast het bestrijden van de Turken ook bezig zijn geweest vooral elkaar de tent uit te vechten bij het innemen van diverse steden. Er is één geval bekend waarbij als gevolg van zo’n conflict een compagnie van 500 nieuw aangekomen kruisridders werd opgeofferd aan de Turken.

Dat de kruisvaarders na de inname van Antiochie er bijna een jaar over deden om in Jeruzalem terecht te komen, waar dat normaal gesproken slechts een maand kost, had te maken met zo’n conflict over land. Het waren de ‘gewone’ kruisvaarders die de edellieden tenslotte dwongen haast te maken. De ‘speculatie’ van moderne historici kan dus heel goed worden onderbouwd met feiten.

Morgen volgen nog een aantal voorbeelden.

Volgende deel hier.