نور الله

september 11, 2015

Al eerder heb ik geschreven over de verzameling korte films 11’09″01, over de aanslagen op het WTC op elf september 2001. De film die destijds het meest indruk op me maakte, was die van de Mexicaanse regisseur Alejandro González Iñárritu. Het is een weergaloze integratie van vorm en inhoud.

De film duurt 656 seconden (10:56) die voor het merendeel (534) bestaan uit zwart scherm. Gedurende de tijd dat we niets zien, horen we in antwoordapparaten ingesproken boodschappen van mensen die in de torens zitten en daar nooit meer uit gekomen zijn. En we horen merkwaardige plofgeluiden. Vijf keer wordt het zwarte scherm onderbroken door in totaal 21 seconden beeld en dan wordt ook duidelijk waar die plofgeluiden van zijn.

We zien (bijna) niets en horen ondertussen wanhoop, niets dan wanhoop.

In de laatste 101 seconden licht het beeld langzaam op tot een helderwit scherm waarin een in het Arabisch gestelde vraag opduikt, die even later gelukkig wordt vertaald, en verklaart waarom er voor deze vorm is gekozen.

Die vraag is nu, veertien jaar later, onverminderd actueel. Ik heb er nog nooit een antwoord op gehoord, zelfs geen poging.


Get a life Mark!

juni 2, 2015

Meneer Rutte, ik heb al eens eerder betoogd dat u te jong bent voor uw functie, aan de hand van een klassiek filmfragment en wat losse voorvallen die daar bij pasten. Toen was dat eigenlijk niet veel meer dan een vermoeden, maar afgelopen week werd dat méér dan bevestigd, en wel door een passage uit uw rede over de opkomst van egoïsme, hufterigheid en ‘het Dikke Ik’:

En dan de mensen die werkloos worden, vréselijk als het gebeurt, maar hoeveel mensen die op een gegeven moment hun baan verliezen, hebben niet meteen het adres in hun hand van het UWV om een uitkering aan te vragen? Ik snap dat niet. Dan vind ik dat als dat gebeurt in je omgeving, je iemand best even mag bijsturen en zeggen: “Joh, die uitkering, als het écht niet lukt, komt-ie wel. Laten we eerst even kijken of jij niet gewoon weer door kan gaan met werken. Laten we dáár nu eens even voor zorgen.”

U bent niet alleen te jong, u mist ook de juiste levenservaring. Als u die in de loop van uw jonge leven had opgedaan, had één zinnetje in uw bovenstaande tekst namelijk al een hele kerstboom aan alarmlichten moeten veroorzaken: ‘Ik snap dat niet.’ De levenservaring waarover u als premier had moeten beschikken, had u bij die constatering de – niet eens zo héél briljante – gedachte moeten ingeven: ‘Als ik het niet snap, is het wellicht niet bijster snugger om me er een oordeel over aan te matigen.’

Ooit verantwoordelijk geweest voor vrouw en kinderen? Voor het aflossen van de hypotheek? Of zelfs maar de huur? Ooit ontslagen? Of in de omstandigheden geweest dat u wel ander werk móest zoeken? En dat alles bij een salaris dat om en nabij modaal ligt? Voor uw informatie: dat is een kwart van wat u nu verdient. Ooit om moeten scholen? Op eigen kosten, of kreeg u het van de belastingen terug en kon u het een jaar lang voorfinancieren? Ooit chronisch ziek geweest? Nét niet erg genoeg om een beroep op allerlei regelingen te kunnen doen? Ooit een echtscheiding meegemaakt? Boedelscheiding? Alimentatie? Ooit ingestort of out geburned? Een depressie gehad? Een psychose? Wel eens in een daklozenopvang geweest? Wel eens een klant gehad die het verrekte om te betalen? Een beoordelingsfout gemaakt die vervelende consequenties had? Ooit een importbruid gehuwd en van de IND aan een minimum inkomenseis moeten voldoen om haar hier te kunnen houden?

Ként u eigenlijk wel mensen die dat soort dingen wel eens hebben meegemaakt? En die daar met u over kunnen praten? En dan ook zo dat zij praten en u luistert, zodat u er nog eens wat van opsteekt? Mensen die níet – zoals u – als baby in een ketel met Prozac zijn gevallen?

Een kleine dosis depressiva dan maar, in de vorm van wat feiten uit het Leven Zelf:

  • Het aantal werklozen is momenteel zo’n zesmaal zo hoog als het aantal openstaande vacatures.
  • Wie nu werkloos wordt, heeft een kans van 58% dat hij langer dan een jaar werkloos is, als-ie tenminste jonger is dan 55 jaar.
  • Wie zijn leeftijd niet mee heeft, loopt 75% kans langer dan een jaar werkloos te zijn.
  • Een WW-uitkering betekent dat je inkomen er 30% op achteruit gaat.
  • Je vaste lasten zoals aflossing van de hypotheek of huur, ziektenkostenverzekering, eigen risico, gas, water en elektriciteit, dalen niet automatisch mee.
  • Bedraagt het totaal van je vaste lasten de helft van je netto inkomen, dan gaat je besteedbaar inkomen zo’n 60% achteruit.

En dan heb ik het nog niet over het UWV zelf, dat elke begrijpelijke en onbegrijpelijke vergissing onmiddellijk als fraude behandelt en mogelijk direct beboet.

Wie in zo’n situatie verantwoordelijk is voor – ik noem maar wat – opgroeiende kinderen en toch de euvele moed heeft te denken: “Joh, die uitkering, als het écht niet lukt, komt-ie wel,” verdient het om onmiddellijk uit de ouderlijke macht ontzet te worden. Wie ten behoeve van de tijdelijke verblijfsvergunning van zijn echtgenote moet voldoen aan een minimum inkomenseis en niet álles doet om dat inkomen veilig te stellen – en dus ook zijn uitkering – verdient een vechtscheiding waar de honden geen brood van lusten. Wie de hypotheek moet betalen en dergelijke risico’s neemt, verdient een huisuitzetting. Wie dermate lichtzinnig omgaat met zijn inkomen, zijn pensioen en zijn geestelijk en lichamelijk welzijn, is niet compos mentis. En wie zijn vrienden aanzet tot dergelijke vormen van roekeloosheid, verdient op zijn minst een stevige ontvriending, en niet alleen op Facebook.

Wat u voorstelt aan onze werklozen, is onbesuisd, onbezonnen en onverantwoordelijk. Geen ondernemer die het in zijn hoofd haalt om op zo’n manier zijn BV te leiden. Alleen wie van het Leven Zelf niets heeft meegemaakt en niks heeft opgestoken, die ziende blind en horende doof is geweest, zal uw adviezen aanzien voor verstandige praat. Voor de rest van de mensheid is het geraaskal van een dwaas.

Seriously Mark: you don’t know shit. Get! A!! Life!!!


Schippers

februari 10, 2015

Ze zei het echt, op het acht uur journaal van afgelopen vrijdag 6 februari (van 3:12 t/m 3:28), minister Schippers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de veranderingen in de zorg en de afschaffing van de vrije artsenkeuze:

Door nou te zorgen dat de financiering zó wordt afgesteld dat die chronische ziekte … zieke veel meer op gaat leveren voor de verzekeraar, wordt het voor die verzekeraar ook veel interessanter om te zeggen: “Bent u chronisch ziek, kom bij mij, ik heb de beste zorg en ik heb … eh ook nog een korting op uw eigen risico.”

Ik had eerlijk gezegd nogal wat spektakel verwacht: het Nederlands episcopaat dat zijn afschuw uitspreekt, een ouder echtpaar Schippers dat – half in tranen – bij Andries Knevel aan tafel komt uitleggen dat dit toch echt niet de bedoeling van hun opvoeding is geweest, boze burgers die de hare excellentie een chronische ziekte toewensen natuurlijk, extra beveiliging, de onvermijdelijke vragen in de Kamer en een minister die uiteindelijk na een paar dagen in Buitenhof excuses-die-geen-echte-excuses-zijn aanbiedt. Maar niks, helemaal niks!

De minister bedoelt het waarschijnlijk nog goed ook. Hoop ik maar, tenminste. Maar juist dat maakt dit zo erg: dat een minister op deze wijze kan spreken over medemensen en niemand, echt helemaal niemand er aanstoot aan neemt en het land niet op zijn kop staat.

Ik leg in deze blogpost niet uit wat mij stoort aan de uitspraak van de minister en ik verwacht dat een aantal lezers dat gek zullen vinden, omdat ze niet begrijpen wat ik dan precies zo erg vind. Juist voor die mensen maak ik nu een raar sprongetje.

Een aantal jaren geleden zag ik een billboard met reclame van de Universiteit van Amsterdam. Het portret van een theologe van de UvA met daarnaast een uitspraak van haar:

Als mensen niet meer nadenken over religie, geloven ze alles.

Ik ben bang dat die theologe gelijk had en dat de mensen die nu echt helemáál niet meer snappen waar ik het over heb, hetzelfde geloven als minister Schippers, namelijk alles.


Tweedeling

mei 6, 2014

Ik was de veertig nog niet gepasseerd toen ik mijn eerste economische model bedacht. Een mens doet wel eens rare dingen. Het begon met een onschuldige gedachte: een samenleving valt niet noodzakelijk samen met zijn economie, dat zijn twee verschillende dingen. Hoewel je daarbij in eerste instantie kunt denken aan een nationale samenleving die opereert in een globale economie, kan het ook andersom. Dat was mijn tweede onschuldige gedachte. Als je een economie ziet als een ingewikkeld netwerk waarbinnen geld, goederen, diensten, arbeid en nog zo wat ongeregeld worden uitgewisseld, dan zou het in theorie mogelijk moeten zijn dat er binnen één samenleving bijvoorbeeld twee economieën naast elkaar functioneren, vooropgesteld dat er – toevallig of om een andere reden – een contactarme kloof bestond of ontstond tussen die twee economische netwerken.

Destijds woonde ik in een buurt waar nogal wat sociale achterstand heerste. Veel bijstandstrekkers en arbeidsongeschikten en bijgevolg ook verschijnselen van een ‘informele economie’: een kringloopwinkel, een weggeefwinkel, een buurtcentrum dat een soort ruilhandel in diensten faciliteerde (ik verf jouw muren, jij past op mijn kinderen), een heel grote vrijwilligerscentrale en niet te vergeten een daklozenopvang waarvan enkele cliënten zich verdienstelijk maakten met het schoonhouden van de straat en het bezorgen van huis aan huis bladen. Door die omgeving werden mijn gedachten al minder onschuldig. Stel dat die twee economieën niet naast, maar boven elkaar bestonden?

Bovenin zou dan de ‘echte’ economie spelen: de economie waarover we lezen in de krant en waarmee politici hun kiezers sarren; de economie die – mits op de juiste wijze gehanteerd – levens kan maken en breken, wat zeg ik: samenlevingen kan maken en breken, díe economie. Onderin de samenleving zou dan iets functioneren dat leek op die informele economie in mijn buurt, maar dan veel groter. In theorie – aldus mijn gedachtenexperiment – zou het mogelijk moeten zijn om beide netwerken onafhankelijk van elkaar in de lucht te houden, op voorwaarde dat er voldoende kritische massa was: genoeg mensen dus om de kringloop van goederen, diensten, geld en arbeid op gang te houden.

Als wat ik dacht ook echt kon, dan zou onderin sprake zijn van een economie waarin – zoals het Spaanse spreekwoord zegt – twee (of meer) wrakken elkaar drijvende kunnen houden, waarin mensen slechts aan het overleven waren, mensen die in wezen niet meer meededen en niet meer meetelden. Op dit punt aangeland had mijn gedachtenexperiment alle onschuld verloren. Maar misschien was het wel heel raar wat ik allemaal bedacht had; ik ben geen econoom. Op mijn werk deelde ik mijn verzinsels met collega’s en daar was wel een econoom aanwezig. Zijn commentaar was kort: ‘Ja hoor, dat heet een tweedeling in de maatschappij!’ Het economische model in de dop dat ik als bijna-veertiger had bedacht, bleek gewoon een ingeburgerd politiek begrip te zijn.

Nu ik de vijftig wel zo’n beetje gepasseerd ben, is daar sinds kort een nieuwe gedachte bij gekomen. Zo hier en daar kwamen de laatste tijd wat nieuwsberichten voorbij waar ik een lijn in meende te herkennen. Nieuwsberichten over taakstraffen en tegenprestaties voor de bijstand en over hoe die soms erg op elkaar kunnen lijken; nieuwsberichten over Friese maatregelen met bijstandstrekkers die verplicht aan het werk worden gezet; over experimenten met aspergesteken en ander land- en tuinbouwwerk. Ik kan zo nog wel even doorgaan, maar na lezing van het hierna volgende zal wel ongeveer duidelijk zijn welke nieuwsberichten mij zoal zijn opgevallen.

Er is een tweedeling aan het ontstaan in het denken over de betekenis van het begrip ‘werk’. Aan de ene kant hebben we wat altijd al ‘werk’ werd genoemd: iemand maakt een goed of levert een dienst en krijgt daar, per stuk, per uur of per maand voor betaald. Het is werk waarmee je ‘een bijdrage aan de samenleving’ heet te leveren. Maar daarnaast bestaat er ook ‘werk’ dat niet gezien wordt als bijdrage aan de samenleving, maar als tegenprestatie áán die samenleving. Het is een tegenprestatie omdat je iets verkeerd hebt gedaan en dat goed moet maken, of omdat die samenleving je onderhoudt in een situatie waarin je dat zelf niet kunt. Niet zelden wordt over die laatste groep mensen gesproken in termen van de eerste: wie zichzelf niet onderhoudt, benadeelt daarmee de samenleving.

En zo komt het dat geheel niet vrijwillige taakstraffen en niet geheel vrijwillige tegenprestaties voor de bijstand zoveel op elkaar kunnen lijken: werk met een extreem lage status, vuil werk, rotwerk. Wie iets goed te maken heeft met de samenleving mag het doen. Pardon: moet. Als deze ontwikkeling een beetje wil doorzetten, maken onze kinderen de heruitvinding van de slavernij nog mee.


De procedures

december 14, 2013

renata-meisje-asiel-ziek-eo_0‘Zie je wel!’ riep mijn vrouw verontwaardigd, ‘Nederlandse huisartsen zijn gewoon slecht!’ We zaten naar het journaal te kijken waarin werd bericht dat Nederland een Georgische asielzoekster heeft uitgezet die doodziek was. Een meisje van zes bovendien. Vrijwel direct na aankomst in Polen (naar verluid binnen 20 minuten) stelden Poolse artsen vast dat ze acute leukemie had. Hier te lande was ze met enige regelmaat gezien door – u raadt het al – Nederlandse huisartsen die haar allemaal met het spreekwoordelijke paracetamolletje in het riet gestuurd hadden.

En het kan nog erger. Wat ik hierboven schrijf is namelijk niet helemaal waar. De laatste huisarts die de onfortuinlijke asielzoekster zag, heeft de ernst van de klachten wel ingezien en een bloedonderzoek voorgeschreven. Maar er waren belangrijker zaken af te handelen: uitzetting gaat in Nederland – kennelijk – voor deugdelijk medisch onderzoek. Eenmaal in de gevangenis vroegen de ouders nog om het bloedonderzoek, maar er gebeurde niets.

In Nederland is het verboden een doodzieke patiënt uit te zetten. Je zou denken ‘gelukkig maar’, maar een meisje van zes is in Nederland niet doodziek als ze al een week of twee koorts heeft en om de haverklap een bloedneus. Doodziek ben je hier pas als een daartoe bevoegd persoon door middel van vakbekwaam onderzoek heeft vastgesteld dat je iets mankeert en wat. Zolang dat niet is gebeurd, ben je gezond en mag je worden uitgezet.

En zo kon het gebeuren dat Grote Denker Fred Teeven op het journaal verscheen en – zonder in schaterlachen uit te barsten – kon beweren dat alles geheel volgens de voorgeschreven procedures was verlopen. Iedereen had zich netjes aan de regels gehouden en de vastgestelde protocollen gevolgd en dus was er niks fout gegaan.

Ik weet vrij zeker dat de moeder die ons deze minister schonk, haar Fredje nooit met veertig graden koorts en bloedneuzen op het vliegtuig richting Polen had gezet. Moeders – en andere normale mensen – hebben daar geen bevoegd deskundige voor nodig en geen protocollen of procedures.


Jonge Mannen

augustus 30, 2013

Aan het einde van de film Lawrence of Arabia (1962) zit een scene waarin Alec Guiness in zijn rol als koning Faisal een onvergetelijke tekst uitspreekt:

There’s nothing further here for a warrior. We drive bargains, old men’s work. Young men make wars and the virtues of war are the virtues of young men: courage and hope for the future. Then old men make the peace … and the vices of peace are the vices of old men: mistrust and caution. It must be so.

Vervolgens wordt Lawrence, die zojuist zo’n beetje het hele Midden-Oosten heeft veroverd, weggepromoveerd. Hij is immers een jonge man, ideaal voor het voeren van oorlog, maar hopeloos als het gaat om politiek.

Er wordt momenteel geen oorlog gevoerd in Nederland, maar toch heb ik het idee dat we een soort Lawrence of Arabia aan het roer hebben staan: Mark Rutte, aan wie ik een zekere dosis moed toeschrijf en beslist veel hoop voor de toekomst. Hij is volgens bovenstaande tekst een typische jonge man en als u het mij vraagt een té jonge.

Want maar weinig echte politici, oude mannen die voorzichtig kunnen zijn en voldoende wantrouwen bezitten, zullen zich eerst bij Europa met volle inzet sterk maken voor een keiharde 3%-norm, om vervolgens te ontdekken dat ze zichzelf in de hoek geschilderd hebben.

Weinig echte politici zullen in een situatie terecht komen waarin ze gedwongen zijn – tegen beter weten in – maatregelen in te voeren die ze liever niet invoeren, alleen omdat ze in het verleden te enthousiast en hoopvol zijn geweest. Echte politici zijn daar te voorzichtig en wantrouwend voor, oude mannen.

De bezuinigingen en lastenverzwaringen die nu in de coalitie zijn afgesproken, gaan de crisis niet oplossen, maar erger maken. Nu al voorspellen economen een nieuwe ronde en is de spiraal compleet. Herstel zal pas komen door mee te surfen op mondiaal herstel, niet dankzij regeringsbeleid.

Misschien zit er toch iets in de oude Romeinse regel dat bepaalde openbare ambten pas bekleed mogen worden boven een bepaalde leeftijd. In het geval van premier denk ik aan minimaal 60.


Fred bedankt!

juni 18, 2013

fred-de-graaf-960x450

Beste Fred,

Via deze weg wil ik je bedanken. Je hebt Nederland behoed voor een uitglijder en daarvoor je nek uitgestoken. Dat is voor jou persoonlijk niet erg goed afgelopen, maar man, wat ben ik blij dat je in je opzet bent geslaagd. Zonder jou had Nederland, om een partijgenoot van je te citeren, ‘een pleefiguur geslagen’.

Als jij niet had gedaan wat je gedaan hebt, had onze nieuwe koning zijn inhuldiging moeten doen in gezelschap van een man die zijn coalitiegenoten verraadt, zijn kiezers bedriegt, het publiek belazert, minderheden kleineert, onzin uitvent, ruzie zoekt, intolerantie predikt, migranten schoffeert, al vijftien jaar aan het pluche kleeft en meer in het algemeen zelf het hardste doet wat hij zijn – al of niet vermeende – tegenstanders verwijt.

Het is misschien niet helemaal volgens de regels wat je gedaan hebt, maar om de man die de wethouder van Juinen naar de kroon steekt te citeren: ‘Ongelijke gevallen hoeven niet gelijk te worden’.