Feestende studenten

december 17, 2012

Het is zondagochtend, één minuut voor tien in de ochtend. Schrijver dezes fietste langs de hoofdstedelijke universiteitsbibliotheek en ontwaarde een meute studenten voor de ingang.

Image0172

In christelijke landen is de zondag gereserveerd voor het voetbal en wie niet voetbalt, slaapt zijn roes uit van de zaterdagavond. Behalve deze jonge mensen, die voor dag en dauw opstaan om in de UB een plaatsje te bemachtigen en te studeren voor hun tentamens deze week.

Advertenties

Vondst van de dag

december 11, 2012

Er gaan dagen voorbij dat ik niet in de Apocalyps zit te lezen, maar gisteren was een uitzondering. Enkele jaren geleden kocht ik een dik Duits boek met een vertaling van het gehele Nieuwe Testament plus allerlei apocriefe vroeg christelijke geschriften. Dat boek lag een hele tijd ongelezen op de plank en enkele weken geleden besloot ik me er toch eens aan te wagen. In de trein van huis naar werk las ik me door de Didache en de brief van Barnabas heen, samen met de meer bekende brieven van Paulus. Gisteren was ik aangekomen bij de Apocalyps, hoofdstuk veertien alweer, en las ik dit:

Toen wierp de engel zijn sikkel op de aarde en oogstte de wijngaard van de aarde. Hij wierp de trossen in de grote perskuip van Gods woede. De perskuip werd getreden buiten de stad, en bloed stroomde eruit tot aan de teugels van de paarden, over een afstand van zestienhonderd stadiën. (Apoc 14:20)

Ik las het natuurlijk in het Duits, maar ik heb er even de Willibrordvertaling bij gehaald van een tekst die gaat over het einde der tijden en het Laatste Oordeel. Geen prettige kost om te lezen, want de schrijver van de Apocalyps gaat volledig uit zijn dak waar het de beschrijving van allerlei rampen betreft. Deze tekst deed me aan een heel andere tekst denken:

Er waren schitterende dingen te zien. Sommige van onze mannen (dat was nog het meest genadig) onthoofdden hun vijanden; anderen schoten hen dood met pijlen, zodat ze van de torens vielen; weer anderen folterden hen langer door hen in het vuur te werpen. Je zag stapels hoofden, handen en voeten in de straten van de stad. Je moest je een weg banen door de dode lichamen van mannen en paarden. Maar dat was nog niets vergeleken bij wat er gebeurde in de tempel van Salomo, waar gewoonlijk de godsdienstoefeningen werden gehouden. Wat gebeurde daar? Als ik dat vertel, zult u het niet geloven. Laat ik althans dit zeggen, dat de mannen in de tempel en het voorhof van Salomo tot aan hun knieën en de teugels van hun paarden door het bloed waadden. Het was een rechtvaardige en prachtige straf van God dat deze plaats onder het bloed van de ongelovigen zat, omdat Hij zo lang te lijden had gehad van hun godslastering.

Hier wordt geen laatste oordeel beschreven, maar een historische gebeurtenis: de inname van Jerusalem door de kruisvaarders op 15 juli 1099. Daarbij werd vrijwel de gehele bevolking van Jerusalem over de kling gejaagd. De schrijver -Raymond d’Aguilers- is een ooggetuige, of schreef de ervaringen van een ooggetuige op.

Er is door geleerden veel geschreven over de passage waarin de hoogte tot waar het bloed door de straten stroomde wordt beschreven. Een mens bevat ongeveer vijf liter bloed. Wil het bloed tot de enkels staan, zeg tien centimeter, dan heb je minimaal twintig gesneuvelden per vierkante meter nodig, volledig leeggebloed. Da’s best veel. Wil het bloed tot aan de teugels van de paarden staan, dan is al snel duidelijk dat hier overdreven wordt. Er is wel geopperd dat de paarden tot aan hun teugels onder de bloedspatten zaten en dat is niet ondenkbaar.

Maar de discussie is de verkeerde: de schrijver overdrijft niet en heeft ook niet de bedoeling om te overdrijven. Hij refereert aan een bijbeltekst die -in alle betekenissen van het woord- apocalyptische gebeurtenissen beschrijft. De kruisvaarders zagen de inname van Jerusalem niet zomaar als de inname van een stad, maar als een gebeurtenis die wellicht een rol speelde of zou gaan spelen in de heilsgeschiedenis. Met één citaat werd dat duidelijk gemaakt aan de lezer, die destijds natuurlijk wat bijbelvaster was dan tegenwoordig.

Nog in de trein sms-tje ik mijn vondst aan een vriend en die sms-te direct terug: “wow”.