Wát nou fraude?

april 16, 2014

statis1Volgens de berichten zouden 400 eerstejaars economiestudenten aan de UvA hebben gefraudeerd bij hun toets statistiek. Er gaan al kamervragen over gesteld worden. De digitale toets waarmee gefraudeerd zou zijn, kon eenvoudig worden omzeild. Studenten openden de toets in twee browsers tegelijk, verkregen de goede antwoorden in de ene en vulden die vervolgens in de tweede in. Het viel op toen sommige studenten de test sneller gedaan bleken te hebben dan hun docenten het konden. Dat verhaal is overal in de media terecht gekomen. Het is lariekoek.

Om te beginnen hebben er geen 400 studenten gefraudeerd. De examencommissie heeft besloten de uitslag van de toets voor 400 studenten te annuleren. Studenten die kunnen aantonen dat ze voldoende tijd hebben benut om de toets te maken ‘kunnen bezwaar maken’ aldus die commissie, die kennelijk niets meer dan dat durft toe te zeggen. Schuldig dus, totdat onschuld bewezen is. Dat heet grootschalige verdachtmaking, geen grootschalige fraude.

Ik heb wel eens met economiestudenten van de UvA zitten kletsen – ouderejaars trouwens – en ik ken die Maple-toets. Het is een toets die je gewoon thuis of in de bieb kunt maken, met je boeken erbij of in overleg met medestudenten. Op Facebook zijn speciale groepen te vinden van UvA-economiestudenten uit de verschillende jaren waarop driftig onderling wordt gediscussieerd over toetsopgaven, oefententamens en andere studie-opdrachten. Fantastisch. Dat is hoe studeren moet: samen met anderen de zaak bespreken en zo van elkaar leren en van de uitwisseling van ideeën.

Nog mooier is dat je de opdrachten uit de Maple test zo vaak kunt doen als je wilt, net zo lang tot je het goede antwoord krijgt. Het programma vertelt je namelijk of je antwoord klopt en geeft je bij een fout antwoord de kans dezelfde som nog eens te maken, maar nu met andere cijfers. Op die manier kun je net zo lang door gaan tot je de methode om de som op te lossen begrijpt. Studenten kunnen voor deze test, vooropgesteld dat ze er even tijd in steken, dus in principe allemaal een tien halen en dat is de bedoeling ook: Maple is helemaal geen toets maar een trainingsprogramma.

De nu gesignaleerde ‘fraude’ met behulp van twee browsers is bij deze opzet volkomen overbodig en voor de berichtgeving zelfs irrelevant. Een goede student in statistiek kan ook zijn medestudenten voorzeggen, of de test eerst maken en de goede antwoorden doorspelen. Ook dan zullen sommige studenten de test sneller kunnen maken dan mogelijk is. Dat er al veel langer met deze test wordt gefraudeerd, en dat docenten er volgens studenten ook van wisten, hoeft dan ook niet te verbazen.

Waarom dan nu toch deze storm in een glas water? Om te beginnen betreft het economen, die nu eenmaal lijden aan de geloofsovertuiging dat mensen gestimuleerd moeten worden om dingen te doen en die daarbij helaas te vaak denken aan beloning en straf. Daarom krijgen studenten die de toets wekelijks met succes maken een bonus van 0,5 punten op hun eindcijfer voor het vak. Daardoor is het trainingsprogramma ineens een toets geworden.

Sommige studenten zijn helaas dom genoeg geweest om zich door die 0,5 punten te laten verblinden en gooiden een mooie gelegenheid om te oefenen weg. Die types zitten er altijd tussen, dat weet je van te voren als je een beetje docent bent. En een beetje docent weet ook – zoals één van de reageerders (student uva) op de website van de Folia opmerkte – dat studenten die frauderen bij de Maple-toets, het tentamen zelf echt niet halen; te weinig oefening en daardoor geen begrip van de stof.

Maar de belangrijkste reden is dat deze faculteit niet werkelijk geïnteresseerd is in het deugdelijk opleiden van studenten. Het benoemen en naar buiten brengen van de gebeurtenissen als ‘fraude’ en de nogal overtrokken maatregelen ertegen hebben geen ander doel dan de indruk te wekken dat het deze faculteit te doen is om ‘kwaliteit’, om een beeld te scheppen dat van deze opleiding alleen de beste en betrouwbaarste studenten af komen. Het is het oppoetsen van de reputatie van het instituut, dat ook een internationale – engelstalige – opleiding heeft die veel buitenlandse studenten trekt. Er staat met andere woorden voor de examencommissie meer op het spel dan de toekomst van hun studenten.


Waarom oudheid moet

november 4, 2012

Mijn goede vriend Jona postte een tijdje geleden op zijn eigen blog een bijdrage waarin werd betoogd dat de studie van de Oudheid leuk was. Van de week lunchte ik met hem en nog wat andere mensen en vanzelfsprekend kwam het onderwerp -wij hadden allen wat met geschiedenis- op de studie van de Oudheid.

De Oudheid is grofweg alles wat te maken heeft met de geschiedenis van het Middellandse Zee-gebied vanaf het vroegste begin tot pakweg de zevende eeuw, als de islam de boel overneemt. De omschrijving ‘Middellandse Zee-gebied’ (spel ik dat wel correct trouwens?) moet u breed nemen. Maar hoe breed of smal u het ook neemt: het nut van de bestudering van gebeurtenissen die minimaal veertienhonderd jaar achter ons liggen, zijn maar moeilijk uit te leggen aan de ongeïnteresseerde leek.

Ik kan drie redenen bedenken waarom de Oudheid toch relevante stof is om te bestuderen. De eerste is dezelfde die mijn goede vriend Jona altijd aandraagt: het is leuk. In een tijd waarin niemand vraagt naar de zin van house-parties of voetbal  lijkt me dat op zichzelf al onderbouwing genoeg, maar zo blijkt de werkelijkheid niet te werken. Wat voor een in wezen zinloze activiteit als voetbal geldt, geldt nog niet voor een even onzinnige activiteit als de oudheidkunde. De kortere, snediger versie van die uitspraak kan ons trouwens worden aangereikt door diezelfde oudheidkunde: quod licet Iovi non licet bovi.

De tweede reden wordt in zijn klassieke vorm door mijn goede vriend Jona versmaad. De stelling dat in de oudheid de bakermat van de moderne westerse cultuur te vinden is, is inmiddels -niet in het minst door mijn goede vriend Jona zelf- voldoende onderuit gehaald. Tussen de Atheense democratie en de westerse gaapt in werkelijkheid een onoverbrugbare kloof, hetzelfde geldt voor de klassieke rationaliteit -die in feit niet bestond- en wetenschapsbeoefening en de westerse wetenschap. Zowel in continuïteit als in overeenkomsten is de stelling dat de oudheid en onze samenleving iets extra’s met elkaar te maken hebben ‘een beetje dom’.

Maar er is wel iets op dat punt: vanaf Erasmus hebben degenen die wel degelijk de bakermat van de westerse cultuur vormen, hun inspiratie gevonden in de oudheid. Of wij nu vinden -of zelfs kunnen aantonen- dat dat niet terecht is geweest, is dan niet bijster relevant meer. Er was iets met die oudheid dat bijzonder genoeg was om een nieuwe cultuur op te baseren. Studie van dat gegeven -in wezen dus studie naar onze identiteit- is wel degelijk nuttig. En het aardige is: het blijft even relevant, ongeacht de uitkomst.

De derde reden gewerd mij pas tijdens voornoemde lunch. Een docente geschiedenis vertelde ons een anekdote over een leerling die eindelijk het licht zag nadat hij tijdens geschiedenisles iets had geleerd over het oosters schisma en het concordaat van Worms. Zijn conclusie was eenvoudig:

Mevrouw, die mensen waren toch eigenlijk gewoon heel dom bezig?

Deze leerling had natuurlijk gelijk, waar waren ze destijds in vredesnaam mee bezig? Maar anderzijds klopt het ook weer niet. Het vooroordeel dat de mensen vroeger vooral heel veel dommer waren, en dan vooral als er religieuze ideeën mee gemoeid waren, dan wij nu is niet alleen wijd verbreid, maar ook onuitroeibaar. Maar het tegendeel is waar: mensen waren vroeger net zo slim als wij nu. Er was wat minder wetenschappelijke kennis, maar afgezien daarvan zou een modern mens het niet veel langer dan een dag uithouden in de oudheid. Het enige verschil is dat men ‘vroeger’ zijn slimheid inzette voor doelen waarmee wij tegenwoordig niets meer hebben.

Studie van dat ‘vroeger’ is daarmee een studie in nederigheid. Helaas geen waarde die erg populair is heden ten dage. Toch denk ik dat het nuttig is. Want zoals the past is a foreign country geldt dat ook andersom: foreign countries are like the past. En in deze globaliserende wereld is vrijwel niets nuttiger dan het vermogen om eigen ideeën even opzij te zetten met de vraag ‘klopt dat allemaal wel?’ Het antwoord doet er even niet toe -misschien klopt het allemaal best- het gaat om de vaardigheid even afstand te kunnen nemen van de eigen leefwereld.

‘Oudheid’ is niet hetzelfde als ‘vroeger’, maar ‘oudheid’ is wel bijzonder in twee opzichten: het staat ver genoeg van ons af om foreign te zijn, terwijl het -juist door dat malle idee van onze bakermat- dichtbij genoeg kan komen om ons onverwacht te confronteren met wat er niet klopt. Ik denk dat de oudheid daarin nu nog uniek is, maar dat is niet in steen gebeiteld. Op de lange duur zal misschien de negentiende eeuw ook zo’n status bereiken, vooropgesteld dat iemand in de nabije toekomst gaat bedenken dat de negentiende eeuw de bakermat van onze westerse cultuur is en er een Erasmus opstaat om dat idee -terecht of onterecht- aan te zwengelen.

Bij de oudheid zijn dus goede redenen te verzinnen om ze te bestuderen. Vraag twee is natuurlijk of zulke overwegingen dan ook voldoende zijn om ons onderwijssysteem op in te richten. Als het om onderwijs gaat zou ik hier met andere, maar even overtuigende, argumenten een vlammend pleidooi voor de mediëvistiek of arabistiek kunnen houden, voor herinvoering van het godsdienstonderwijs, of voor het afschaffen van alle humaniora ten gunste van de bèta-wetenschappen en de wiskunde in het bijzonder. Vooralsnog houd ik het dus maar bij bestuderen.


The Badeend Archives

september 19, 2012

Al eerder blogde ik over de wetenschappelijke inzet van de badeend (Anas Natans L.), zonder welke een horde onoplosbare vraagstukken dat zou blijven.

Ook nu weer blijkt de badeend onmisbaar te zijn bij het beantwoorden van de toch zeer eenvoudige vraag: hoe snel stroomt water door de rivier naar zee?


Koran van elders?

augustus 31, 2012

Een hoogst eigenaardig artikel in de bijlage van Trouw van 4 augustus 2012. Volgens een Canadese wetenschapper moet de oorsprong van de koran heel ergens anders gezocht worden dan we tot nu toe dachten.

Volgens het traditionele islamitische verhaal -het verhaal dat we ook op school leren en in de meeste literatuur tegenkomen- is de koran ontstaan in de steden Mekka en Medina, op het Arabisch schiereiland. Deze Canadees zoekt de oorsprong echter veel noordelijker: de regio rond het huidige Syrië en Jordanië.

Zijn argumentatie is heel eenvoudig en makkelijk te volgen. In de regio rond Mekka en Medina -de Hejaz- werd het zogenaamde ‘Zuid Arabische’ schrift gebruikt. Dat kennen we uit inscripties.

Een inscriptie in Zuid Arabisch schrift uit het Nationaal Museum van Saudi Arabië

Het Zuid-Arabische schrift is uiteindelijk in onbruik geraakt en dat is jammer, want het had voor alle Arabische klanken -of in ieder geval medeklinkers- een apart letterteken.

Het schrift waarin de koran is geschreven, dat we tot op de dag van vandaag kennen als ‘Arabisch’, stamt echter uit de regio waar nu Syrië en Jordanië liggen. Dat schrift is ontstaan uit het Aramese schrift en was niet erg geschikt voor de Arabische taal: 15 lettertekens voor 28 klanken, wat betekende dat teveel lettertekens voor teveel verschillende klanken konden staan, soms wel vijf. Het Arabische schrift heeft dan ook later enkele ‘hulpstukken’ ontwikkeld om dat euvel te verhelpen.

Aangezien alle oudste manuscripten van de koran die we kennen geschreven zijn in het -minder geschikte- Arabische schrift, ligt de conclusie nogal voor de hand dat de inhoud van de koran ook wel in die noordelijke regio voor het eerst zal zijn opgeschreven. Die gevolgtrekking ligt zo verschrikkelijk voor de hand dat je je afvraagt waarom hij niet eerder is geopperd.

Een detail van een oud koranmanuscript in Arabisch schrift dat onlangs bij Sotheby’s werd geveild. Het betreft een tekststijl die ‘hejazi’ genoemd wordt. De oudste koranmanuscripten zijn in deze stijl geschreven.

Wie het artikel in Trouw goed leest, kan daarin de verklaring voor dit opvallende feit vinden. Helemaal aan het eind wordt namelijk vermeld dat er wél papyri en inscripties gevonden zijn uit de zevende eeuw met teksten, geschreven in het ‘Arabische’ schrift. Dat wil dus zeggen dat de stelling ‘rond Mekka en Medina werd het Zuid Arabische schrift gebruikt’, niet helemaal klopt. Kennelijk bestonden beide schriftsystemen naast elkaar en is de uit het Aramees voortgekomen schriftcultuur ook in gebruik geweest rond Mekka en Medina.

De Canadese onderzoeker zoekt zijn toevlucht nu in wat wetenschappers een ‘hulphypothese’ noemen. De in het Arabisch gestelde teksten zouden geschreven zijn door de officiële bestuurslaag. In dat geval zouden alleen onofficiële Arabische teksten tellen als bewijs dat ook het Arabische schrift gewoon gebruikt werd naast het Zuid Arabische. Dat zou kunnen, maar het werpt natuurlijk wel de vraag op of de teksten uit de koran niet ook door, of onder leiding van, die bestuurslaag kunnen zijn opgeschreven.

Bovendien doet zich een andere verklaring voor, een alternatieve hulphypothese, die in dit geval de theorie onderuit haalt: Zuid Arabisch schrift werd alleen gebruikt voor officiële inscripties en Arabisch schrift voor inscripties en minder formele zaken als teksten op papyrus.

Het staat niet expliciet in het artikel in Trouw, maar enig googelen op het Zuid Arabisch schrift, levert al snel ettelijke inscripties op, maar niets dat niet op steen staat. Het Wikipedia artikel over dit onderwerp vermeldt wel een cursieve variant dat op andere materialen werd gebruikt dan steen, maar dat is in Jemen. Te ver zuidelijk.

Als de koran, in navolging van andere heilige geschriften, op papyrus en perkament werd opgeschreven en voor die media het Arabische schrift als geeigend werd gezien, dan is het helemaal niet gek dat er nooit iets van de koran in het -voor steen bedoelde- Zuid Arabische schrift is vastgelegd.

Let wel: die alternatieve hulphypothese hoeft niet waar te zijn, maar het is wel een nogal voor de hand liggende mogelijkheid die even in het artikel onderkend had moeten worden. Nu is het artikel in Trouw niet meer dan weer een voorbeeld van de tsunami aan revisionistische theorieën over het ontstaan van de islam die nauwelijks wetenschappelijk zijn onderbouwd, overduidelijk naar een vooropgezette conclusie toe redeneren of, in dit geval, niet bijster handig ‘naar de leek toe worden doorgecommuniceerd’.


Badeend

mei 16, 2012

Zo’n veertig jaar geleden konden we al een mens naar de maan sturen en ruim zestig jaar geleden een stad in één klap van de aardbodem wegvagen, maar als we willen weten hoe het water door de stad stroomt, dan moeten we nog steeds onze toevlucht zoeken tot het inzetten van de gewone badeend (Anas Natans L.)

Dit is geen uniek verhaal. De badeend blijkt uitstekend geschikt voor het bestuderen van water- en zeestromen, waarschijnlijk omdat hij vrijwel alle omstandigheden in water overleeft, zelfs arctische.

Update van 16 juni 2012 hier.